|
Preken: Matteüs 2, 1 - 12
Door Nel van Cuijk,
gehouden op 4 januari 2009
Blijven hopen dat God wortel wil
schieten in ons
Mattheus eindigt zijn verhaal over
Jezus met een opdracht aan zijn volgelingen, aan de elf: “Ga dus op
weg en maak alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen in de
naam van de Vader en de Zoon en de heilige geest.”
En nu aan het begin van zijn
evangelie worden we meegenomen in het verhaal van drie
vreemdelingen, geleerden, magiërs, astrologen, die in de sterren
gezien hebben dat er een nieuwe, een pasgeboren koning van de Joden
geboren zou zijn en met die wetenschap trekken zij naar de hoofdstad
van de Joden. In de sterren, in een natuurverschijnsel hebben zij
een ontdekking gedaan en ze gaan op weg. En ze zoeken in de
hoofdstad, want waar anders kan een koning geboren worden dan in de
hoofdstad.
Dat is de verwachting van alle
mensen, van buitenlanders en van eigen volk. En al meteen zet
Mattheus ons, de luisteraars naar zijn boodschap, op een ander
spoor. Jeruzalem, de huidige koning Herodes zij weten niets van een
pasgeboren koning en ze willen er ook niets van weten. Het brengt
hen in verwarring, de schrik slaat hen om het hart. Herodes had al
veertig jaar geregeerd en hij was het nog niet moe en hij had al een
aantal van zijn zonen, mogelijke troonopvolgers, laten ombrengen, en
dan komen er vreemdelingen vertellen dat er een koning geboren zou
zijn. Dat kan niet bestaan, dat mag ook niet bestaan, dat zet de
wereld of in ieder geval hun wereld op zijn kop. En wij mensen
willen dat niet, wij willen geen inbreuk op ons goed geregelde leven
over het algemeen. Onze plaats in het leven willen we houden, onze
gewoonten en zekerheden en noem maar op. Het moet zo blijven.
Maar Mattheus rammelt aan die
verhoudingen en hij doet dat met vreemdelingen uit het Oosten, rijke
vreemdelingen, in ieder geval geen armoedige herders zoals bij
Lucas, nee hij ziet het visioen van Jesaja tevoorschijn komen over
vreemde volken die aan komen lopen met kamelen en goud en wierook en
mirre. Toen dacht Jesaja dat Jeruzalem dan trots zou zijn: je
zult stralen, zegt hij, en je hart zal wijd worden, een groot
hart zul je krijgen om het Licht wat over jou, stad van vrede
Jeruzalem, is opgegaan.
Zo kijkt Mattheus, maar zo kijkt
Jeruzalem niet. De grote pijn van Mattheus komt tevoorschijn in dit
verhaal over de drie vreemdelingen. Zijn eigen stad en zijn eigen
volk, ze hebben Jezus niet herkend en gekend als de mens die van
Godswege een nieuwe beweging op gang wilde brengen. Ze zijn vanaf
het begin van zijn leven tot aan het einde blind gebleven voor dit
wonder van God, dit in de openbaarheid treden van God in een mens.
Want dat is Jezus voor Mattheus, een openbaring van God.
En niet alleen voor Matheus, zegt
hij; nee, vreemde volken hebben gezien en ingezien wie Jezus was. Ze
hebben zich niet laten weerhouden door de verblinding van de
generatie van zijn tijd. Ze hebben een droom geloofd, een ster
gezien en gevolgd. Ze werden vervuld van een diepe vreugde toen ze
het kind en zijn moeder vonden.
Ze hebben een gekruisigde tot hun
redder en Heer aangenomen.
Herodes en zijn tijdgenoten,
priesters en schriftgeleerden zij lezen de heilige boeken en ze
weten waar de Messias geboren zal worden, ze zien het staan zwart op
wit maar ze geloven niet wat ze lezen. Is dat niet ongelofelijk, dat
je zwart op wit ziet staan waar en dat de Messias geboren zal worden
en dat je dan niets doet. Dat je niet op weg gaat dat je blijft
zitten waar je zit. Geen beweging in te krijgen.
Was of is zoiets alleen van toen of
is het ook een openbaring aan mij, aan ons. Is het geen wonder van
God dat wij nog steeds een gemeenschap vormen, dat in een tijd
waarin alleen maar geld en macht en aanzien telt hier een handjevol
mensen tegen de stroom van de tijd in gemeenschap willen blijven
vormen? We zien het voor onze ogen zwart op wit als het ware. Zijn
wij vervuld van blijdschap als we dit zien of zitten we zuchtend in
onze boeken te kijken en droevig te wezen omdat niet al mijn
menselijke mogelijkheden ontplooid zijn, omdat gemeenschap ook
offers vraagt?
In de afgelopen weken zijn er nogal
wat goede woorden gezegd. Een van die goede woorden kwam van een
vreemdeling, een donkere Engels sprekende vreemdeling. ‘Of er nog
jongeren in deze gemeenschap komen, is niet onze zorg’, zei hij,
‘its His duty, het is Gods plicht en opdracht daar voor te zorgen.’
Als het nu is zoals het is, dan is dat zijn opdracht geweest, geen
zorg dus van onze kant, God weet wat hij doet. Ik heb op me genomen
om die boodschap aan te nemen en op te nemen. Met Nieuwjaar is er op
bijna gelijke wijze over gesproken; in zijn preek vertelde Jan over
de volhardende hoop dat God wortel wil schieten in mij.
De ontmoeting met het kind en zijn
moeder doet de magiërs besluiten om andere wegen te gaan, horen we
nog. Zij gaan niet meer dezelfde weg. Hopelijk is dat voor ons ook
zo dat wij nu na de ontmoeting in en door kerstmis nieuwe, andere
wegen durven gaan. |