|
|
Preken: Matteüs 22, 15 - 21
Door
Nel van Cuijk, gehouden op 19 oktober 2008
Als God al iets wil, dan wil Hij dat mensen menselijk zijn – op hun
mooist
De
lezingen die we vandaag te horen hebben gekregen geven weinig
aanleiding om daar nu eens een leuke preek over te houden bij
gelegenheid van een 25-jarig huwelijk. Jullie wilden ook een gewone
viering met een klein accent op deze toch gedenkwaardige dag. En
alhoewel nog steeds geen vijftig – dus waar Abraham/Sara de mosterd
vandaan haalt is jullie nog onbekend –jullie zijn toch wel dermate
door het leven geschoold dat je weet wat het betekent als mensen
elkaar willen vangen, strikvragen stellen, onderuit willen halen.
Vijfentwintig jaar huwelijk en al meer dan vijfentwintig jaar leven
in gemeenschap betekent dat jullie en dat wij met jullie, alle mooie
en alle lelijke kanten van mens-zijn gezien hebben. Vandaag zijn
jullie op z’n mooist en velen van ons ook omwille van jullie. In de
lezingen van vandaag zien we echter niet alleen de mooie kanten van
mens-zijn. We zien beide kanten.
Daar
wil ik nu op ingaan en of ik dan nog ergens bij jullie uitkom, zien
we wel.
Eerst maar even iets over de eerste lezing. Er is
een vreemde koning, heerser van Perzië, het huidige Iran, een
Arabier waarschijnlijk, nog geen moslim want Mohammed moest nog
geboren worden. De profeet Jesaja zegt dat deze vreemdeling een
gezalfde van God is, van de God van Israël wel te verstaan, want er
waren in die tijd een massa goden zoals overigens in onze tijd ook,
maar hij is dus een gezalfde van God en dat weet hij zelf niet. Dat
vind ik een mooi humoristisch trekje van God dat je zonder het zelf
te weten gezalfde/dienaar van Hem kunt zijn. Waarom noemt de profeet
deze man die God niet kent, een dienaar van God? Omdat hij humaan
is, menselijk, omdat hij mensen het recht geeft om in hun eigen land
te wonen, om hun eigen godsdienst te beleven, omdat hij mensen
vrijheid geeft en de ruimte om te leven. Volgens de profeet heeft
dat de diepste interesse van God: of mensen humaan met elkaar
omgaan, elkaar recht doen, zorg dragen, opkomen voor elkaar. God is
er niet zo in geïnteresseerd of je je godsdienstoefeningen wel stipt
nakomt. En God wordt bijzonder woedend als mensen die zeggen dat ze
godsdienstig zijn inhumaan handelen. Ik heb dit niet van God gehoord
want God spreekt tot mij even onhoorbaar als tot jullie naar ik
aanneem, maar mensen die ik hoogacht zoals deze profeet, zij
vertellen over God dit soort dingen en dat raakt mij altijd en omdat
me dat raakt wil ik ook altijd doorvertellen. Als God al iets wil,
dan wil Hij dat mensen menselijk zijn op hun mooist. Je hoeft niets
te onthouden van deze preek als je dit ene maar onthoudt: als God al
iets wil, dan wil hij dat mensen menselijk zijn op hun mooist.
Ik
wil ook nog kijken naar Jezus. Even een situatieschets, hij is op
het tempelplein en het is er druk, er is veel volk op de been. En
Jezus is woedend hij heeft even geleden het tempelplein
schoongeveegd van alles wat daar rijk probeert te worden van de
godsdienst. Hij is weer weggegaan om z’n woede wat te laten
bekoelen, denk ik, en nu is hij weer terug en is in discussie met de
schriftgeleerden en met hen die aangesteld zijn in de tempel, de
oudsten en hogepriesters.
Ze
kregen hem niet gevangen tot nu toe en nu hebben ze een uiterst
klemmende en gemene vraag gesteld. Er zijn a.h.w. twee partijen op
dat tempelplein enerzijds de gewone mensen, mensen die in Jezus iets
bijzonders zien, die van hem zeggen: ‘Dat is een profeet, dat is
weer zo iemand die om een of andere reden beter lijkt te weten wat
God bedoelt.’ Anderzijds staat daar de gevestigde orde, niet per se
kwaadwillend maar toch wel gehecht aan orde en regelmaat, aan een
goed inkomen, gehecht aan het pluche en sommigen belust op macht,
profiterend van het feit dat die Romeinen er zijn, want als die er
nu eenmaal zijn, dan kun je daar een slaatje uit slaan.
In
hun ogen is Jezus een onrustzaaier die liefst zo spoedig mogelijk
moet verdwijnen en als het niet goedschiks kan dan maar kwaadschiks.
Jezus kan niet zeggen: ‘Ja, betaal maar belasting
aan de keizer’, want dan verloochent hij de boodschap van God, en
dat wil hij niet. Hij kan ook niet zeggen: ‘Nee, niet betalen’, want
dan wordt hij onmiddellijk opgepakt door de Herodianen en ook daar
was Jezus niet op uit, al zal het er uiteindelijk wel van komen.
Jezus
zet dan een prachtige woordspeling op rond het woord ‘beeld’. ‘Van
wie is het beeld op die belastingmunt’ vraagt hij. Luid vraagt hij
het zodat iedereen het kan horen. Hij wist waarschijnlijk wel wiens
beeld er op die munt stond. Als de oprechte jood het woord ‘beeld’,
icoon hoort dan is hij wakker. Want op de eerste bladzijde van de
bijbel staat dat prachtige verhaal van de schepping van de mens.
Daar wordt gezegd: ‘Mens, jij bent naar mijn beeld, naar mijn icoon
geschapen. Mens, je bent bedoeld om de zichtbare kant van God te
zijn.’ Dat beeld van die keizer is dus afgoderij, want iedere mens
is geschapen naar Gods beeld, en dan is er bovendien nog dat tweede
gebod: ‘Je moet geen beelden maken van God.’ Altijd en overal waar
mensen beelden maken van God ontstaat er oorlog en ruzie. Je moet
geen beeld van God maken. Geef dus wat van die keizer is, gerust
terug aan die keizer, maar jij mens vergeet niet en nooit wat je
bent: beeld van God.
De
mensen ten tijde van Jezus begrepen zijn verwijzingen naar Gods
oorspronkelijke opzet met de mens, ik denk dat ook zijn
tegenstanders dat wel doorhadden. Hij was niet te vangen, nu niet
tenminste. Hij ontmaskerde de valsheid van zijn tegenstanders en gaf
aan de anderen hun waardigheid terug, aan de arme mensen die moesten
sappelen om hun belasting te kunnen betalen. ‘En de mensen stonden
er verwonderd over.’ De mens op z’n mooist! Zoals hij door God
bedoeld is. Respectvol voor de ander, luisterend en met een
creatieve trouw. Zo zie ik Jezus voor me staan zoals hij vandaag
door Matheus getekend wordt. En jullie en wij we blijven luisteren,
en volgen en ons in dienst stellen van elkaar, van God, van mensen.
|