|
|
Preken: Matteüs 20, 1 - 16
Door
Koos van Etten, gehouden op zondag 21 september 2008
De
ruimte van God binnengaan
Zoek de Heer, nu Hij te vinden is. Dit is
de oproep van de profeet Jesaja. Die oproep gold op de eerste plaats
voor zijn tijdgenoten, mensen die in ballingschap waren weggevoerd,
ver van huis, in een vreemd land. De profeet roept hen op om terug
te keren naar Jeruzalem, naar Israël en ziet dat als een nieuwe
exodus, een nieuw verbond van God met zijn volk. Door die oproep
probeert hij hen uit hun moedeloosheid wakker te schudden, want de
meesten zagen het niet meer zitten. Terugkeren naar Jeruzalem? Ach
waarvoor. Nee, dat was een brug te ver. Maar de profeet roept hen op
om de Heer te zoeken, want Hij is dichtbij. Dat geldt ook nu voor
ons. Hij is dichtbij, op voorwaarde dat je je eigen plannen laat
varen en je durft toe te vertrouwen aan wat zich aandient van de
andere kant. Want God is iemand die vergeeft en nieuwe kansen biedt.
Hij zegt: Mijn gedachten zijn niet jouw gedachten. Dat is
geen afwijzing van wat die mensen allemaal denken, maar een
uitnodiging om anders te leren kijken, nieuwe ruimte binnen te gaan
en zo de toekomst open te houden.
Datzelfde horen we in het evangelie: een
prachtige parabel met een oproep om anders te denken. Laten we naar
het verhaal kijken. In het eerste deel horen we over een
landeigenaar met een wijngaard. Al vanaf de vroege morgen gaat hij
er op uit om arbeiders te zoeken en komt met de eerste overeen voor
een denarie. Later gaat hij nog eens naar de stad, ziet op andere
plaatsen nog andere arbeiders staan en vraagt aan de laatste:
‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ Zij antwoorden:
‘Omdat niemand ons in dienst wilde nemen.’ Telkens ontfermt hij zich
over die mannen en neemt hen allen in dienst, ook die van het elfde
uur.
In het tweede deel horen we over de uitbetaling
en daar wordt het spannend. Want als de arbeiders van het elfde uur
naar voren komen, krijgen ze ieder een denarie. De arbeiders van het
eerste uur denken dan dat zij méér zouden krijgen, maar ook zij
krijgen ieder een denarie. Zij beginnen te protesteren en terecht
zouden wij zeggen, want zo denken wij ook, zeker in deze tijd. We
vinden het toch ongehoord dat de managers in het bedrijf een
gigantisch groot bedrag krijgen, dat niet in verhouding is met de
gewone werknemers? We zijn toch verontwaardigd als de leiders in de
zorg een hoog salaris krijgen uitbetaald boven de Balkenende-norm.
Wij vinden het onrechtvaardig als er zo’n grote ongelijkheid is,
zo’n wanverhoudingen. Maar die landeigenaar zegt: Neem die
denarie nou aan, want dat zijn we toch overeengekomen? Dat is
toch volgens de c.a.o.? Dat is dus de ene kant: Hij handelt
rechtvaardig. Maar aan die laatste wil ik evenveel geven als aan
jou. Waarom doet hij dat, denk ik dan? Omdat hij zich ontfermt
over die mannen, zodat zij en hun gezin die dag ook te eten hebben.
Een denarie was precies een dagloon en die heer wilde die ook gunnen
aan de arbeiders van het elfde uur.
Wie zijn nu die eersten en die laatsten? Vanuit
het evangelie zouden we kunnen denken aan enerzijds de Farizeeën en
mensen die de Tora onderhouden, en anderzijds aan tollenaars en
zondaars voor wie Jezus zelf is opgekomen. Jezus vertelt dus zijn
eigen verhaal in deze parabel. Maar als Matteüs deze opschrijft,
denkt hij aan de leerlingen uit het jodendom en de leerlingen uit de
heidenen. In onze tijd denk ik aan de eersten als degenen die vanaf
hun jeugd opgegroeid zijn in het christelijk geloof en aan de
laatsten als degenen die op latere leeftijd begonnen zijn God te
zoeken. Of hier in de gemeenschap aan enerzijds de mensen van het
begin, met meer dan dertig jaar ervaring van samenleven, en
anderzijds aan degenen die pas binnenkomen.
Maar ik moet erbij zeg: ik betrap me erop dat
ikzelf steeds bij die eerste groep hoor. Ik ervaar ook dat ik van
binnen kwaad kan worden als anderen die volgens mij zich minder
ingespannen hebben, met mij gelijk gesteld worden. Ik die de last
van de dag en de hitte van de zon gedragen heb. Zit ik dan fout
of denk ik verkeerd? Nee, daar gaat het niet om. Maar durf ik binnen
te gaan in de ruimte van God, die zegt: Mijn gedachten zijn niet
jouw gedachten. Of zoals Jezus het zegt in het evangelie: in het
rijk van God, in die nieuwe orde, verdwijnen de normale
verhoudingen. Hij vraagt ons om open te staan voor iets nieuws. Houd
niet vast aan wat je al weet vanuit je ervaring. Durf je toe te
vertrouwen en houd de deur open naar de toekomst.
Ik denk dat dit ook een richting is voor deze
vredesweek. Als we vasthouden aan wat we op tv en in de media zien
gebeuren tussen mensen en volkeren, kan de wanhoop in ons toeslaan:
houd het nu nooit op met oorlog en geweld, zoals laatst weer tussen
Georgiërs en Russen? Maar moedeloosheid lost niets op. Durven we ons
toe te vertrouwen aan die nieuwe orde, ook in onze eigen kleine
samenleving, door openingen te zoeken bij de ander, te geloven in
een weg van vergeving en nieuwe kansen, en te zoeken naar een nieuwe
verbondenheid. Laten we die hoop levend houden!
|