|
|
Preken: Matteüs 18, 15 - 20
Door
Niek Werkhoven, gehouden op 7 september 2008
Als je broer of zuster iets misdaan
heeft…
Als
je er van uitgaat dat verkondiging iets anders is dan tekst
verklaren, als je dus iets anders mag verwachten dan dat, dan kun je
je waarschijnlijk voorstellen dat niemand zit te popelen om bij dit
evangelie de verkondiging op zich te nemen. Want het zijn ernstige
woorden die we vandaag horen. Woorden die van je vragen: heb je dat
wel eens gedaan? Zou je dat wel willen en durven doen? Heb je
minstens wel eens meegemaakt dat dit gedaan werd? En dan, ja dan
past alleen maar grote bescheidenheid.
En toch – dat bijbelse ‘en toch’ – proberen om
een ‘opwekkend’, uitnodigend woord van ontmoeting te spreken.
Gelukkig zijn er dan die laatste zinnen om vanuit te gaan: “Waar
twee of meer eensgezind iets vragen” – symfonèsoosin staat
er, in of als een symfonie: het overeenstemmen van verschillende
instrumenten – “dan en daar ben Ik in hun midden”. Ik in hun midden,
juist in het midden, niet toch een beetje meer aan mijn kant! Dat
zegt Hij die kon zeggen: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Die “Ik” die belooft heilige Geest te zenden die de weg naar
waarheid zal wijzen.
Luisteren vraagt onbevangenheid, bereidheid om
het beeld af te breken dat misschien spontaan opgeroepen wordt met
de woorden “als je broer of zuster mis-doet…’. Het vraagt om fris en
wat argeloos bereid te zijn om aangesproken te kunnen worden.
Want
wat we zo horen lijkt zo haaks te staan op het gangbare en
waardevolle dat we tegenwoordig hoog in het vaandel hebben:
waardering voor het anders zijn, de verschillen als kostbaar zien,
de vrijheid en de vrijmoedigheid om jezelf te zijn hoog in het
vaandel houden, elkaar de ruimte geven. Het kan toch niet waar zijn
dat we teruggeroepen worden naar een enghartig elkaar beleren,
elkaar de maat nemen op grond van een zeker weten wat goed is.
Nee,
dat zal zeker niet het geval zijn, en dat mogen we veronderstellen
niet om deze woorden dan toch te plooien naar wat ons te pas komt.
Maar omdat we uitgaan van Jezus als voorganger, als verkondiger van
een God die het leven wil en het geluk van mensen. Een God die
mensen liefheeft, mensen zoals ze zijn, zoals ze kunnen worden.
Mensen die struikelen en vallen, mensen die doodlopende wegen kunnen
inslaan, maar ook kunnen omkeren, opstaan en daar anderen voor nodig
willen hebben.
“Als je broer of zuster iets misdaan heeft…” Dit
riep bij mij de woorden van Paulus in herinnering in zijn brief aan
de Korintiërs: “Natuurlijk bedoelde ik niet dat jullie niet moesten
omgaan met alle ontuchtigen ter wereld, of uitbuiters en oplichters,
in het algemeen. Dan zouden jullie de wereld moeten verlaten. Ik heb
toch niet te oordelen over buitenstaanders? Jullie oordelen toch ook
alleen over mensen uit jullie eigen kring. Over anderen zal God wel
oordelen.”
Je
broer of zuster, iemand uit je ‘eigen kring’ iemand waarmee je het
“Ik ben de weg de waarheid en het leven” deelt. En dan de ervaring
dat daar tegen misdaan wordt, dat die weg niet gegaan wordt. Dat
woord misdoen, ‘zondigen’, is een zwaar woord dat we zo maar niet op
de dagelijkse strubbelingen in het leven met elkaar mogen plakken.
Het gaat hier wel degelijk om het ‘ten val brengen, of komen’ je
levensbestemming uit het oog verliezen. Of zoals wat eerder in dit
hoofdstuk door Jezus gezegd wordt: “Wie één van deze kleinen die op
mij vertrouwen ten val brengt. …”. Als je dit ervaart, horen we
Jezus hier zeggen, als je daar wakker van ligt omdat je broer of
zuster, iemand uit eigen kring dus, die weg opgaat, dan moet je er
op uit, dan moet je zijn of haar doen ‘in het licht stellen’, tegen
het licht houden.
Dat
is nogal wat, dat vraagt van mij, van de een of twee getuigen, van
de gemeente, de vrijmoedige maar ook de kwetsbare en bescheiden
overtuiging van goed en gelukkig zijn! Een overtuiging die geen
kwestie is van ideeën of ideologie maar van wat ‘brandt in het
hart’. Dat is wat anders dan de waarheid in je zak hebben, maar wel
zorg hebben om te zoeken naar waarheid en waarachtigheid, naar wat
geluk, wat vrijheid en leven geeft.
Als je broer, je zuster luistert dan heb je hem,
haar gewonnen, leven gegeven. Matteüs heeft dat ondervonden toen hij
uit het tolkantoor geroepen werd om die vreemde Rabbi achterna te
gaan, die mistroostige leerlingen op weg naar Emmaus hebben het
ervaren omdat hun hart ging branden toen de Schrift voor hen
openging.
Gemeente, gemeenschap, verbondenheid, solidariteit, en zo zou je nog
wat grote woorden kunnen noemen, terwijl we goed weten dat ze lang
niet altijd als een mantel van licht om ons heen hangen.
Maar
gelukkig zijn er dan die laatste zinnen over die symfonie in het
bidden: het laten overeenstemmen van verschillen waardoor
geschillen, geboren uit angst of hoogmoed, zich kunnen keren. Voor
dit vragen zijn we hier weer bij elkaar, om te bedanken ook, dat we
zo mogen ‘vragen’ om geen struikelblok, geen steen des aanstoots te
worden, te blijven of tussen ons toe te laten. Dat we mogen en
kunnen vertrouwen op een liefde die ons begrip te boven gaat, maar
door ‘kleinen’ present is in onze wereld, dat plekje waar we thuis
horen, thuis komen.
Ontvang wat je bent: het opgewekte lichaam van Christus. Dat dit ons
moge overkomen vandaag en de dagen die komen.
|