|
|
Preken: Matteüs 3,
15 - 17
Door Nel van Cuijk, gehouden op 9 januari 2005
Dit is mijn geliefde zoon
Met de doop van de Heer, het feest dat we vandaag
vieren worden de openbaringsfeesten afgesloten. De doop van de Heer
is – zo zou je het kunnen zeggen – de coming-out van Jezus.
Hij komt vandaag als vanuit het niets op ons toe en verschijnt als
de volwassen man die een begin maakt met wat hij als zijn roeping,
zijn opdracht in dit leven van God uit heeft verstaan.
Hij komt uit Galilea vermeldt Matteüs, dat ‘Galilea waar niets goeds
vandaan kan komen’: dat is het gezegde in Jeruzalem.
Jezus heeft gehoord, denk ik, van de beweging, de
vernieuwingsbeweging die rond Johannes gestalte krijgt. Bekeer je,
roept Johannes, want het koninkrijk der hemelen is ophanden.
Bij hem is dat geen vroom gebeuren, iets van alleen je innerlijk,
wat in jezelf plaatsvindt maar ‘bekeer je’ is je omkeren, is
letterlijk een andere weg inslaan. Is een verandering in gang zetten
ten aanzien van wie je dierbaar zijn, van wat je dierbaar is. In de
omgang met je familie, in je werk, in de omgang met God.
Bekering moet aan je te zien zijn, mensen moeten
zeggen: hé, dat doe je anders. Bekeren is openbaar.
En zegt Johannes ik roep op tot deze bekering maar na mij komt er
iemand, belangrijker dan ik en hij zal jullie dopen in heilige geest
en in vuur, de wan in de hand, de bijl aan de wortel van de bomen.
Dat is de Messiasverwachting van Johannes en dan komt Jezus en hij
vraagt of Johannes hem wil dopen. Dat kan dus niet in de ogen van
Johannes en hij wil Jezus met geweld tegenhouden. Ik jou dopen, geen
sprake van, dat is de wereld op z’n kop; als er al iemand gedoopt
moet worden dan moet ik door jou gedoopt worden. Jezus, de Messias
moet komen met vuur en heilige geest en onmiddellijk beginnen met
deze missie van het scheiden van de bokken en de schapen, van de
gerechtigheid vestigen op aarde. De Messias kan niet als een van het
volk, een van die zo velen zijn, die zich laten dopen.
Jezus zegt dan met enige felheid tegen Johannes:
laat me nu, laat mij mijn weg gaan. En weet dat het geen andere weg
is dan die van jou. Want, zegt hij, zo behoren wij, jij Johannes en
ik, de gerechtigheid volledig te vervullen.
En dan staat er niet dat Johannes Jezus doopte, er staat dat
Johannes Jezus liet begaan. Soms denk ik dat de leerlingen van
Johannes en of Johannes aan Jezus getwijfeld hebben: is hij wel de
Messias? Later in het evangelie laat Johannes middels zijn
leerlingen vragen of Jezus de komende is of dat ze iemand anders
moeten verwachten.
Ik denk dat Matteüs daar last van had, van die
concurrerende gedachte tussen de leerlingen van Johannes en de
leerlingen van Jezus en hier in dit eerste optreden van Jezus wil
hij dat meteen recht zetten. Dat doet hij door eerst en vooral
Johannes te laten zeggen dat er iemand anders komt, iemand die
groter is dan hij.
En dan als Jezus uit het water opstijgt: en
zie daar opende zich de hemel voor hem, er ging een hemel voor
hem open, wij zeggen wel eens en er ging een wereld voor me open.
Voor Jezus gaat er een hemel open, Gods Geest daalde op hem in de
gedaante van een duif, Gods geest daalde op hem neer in de gedaante
van vrede. Gods geest, die Geest waar hij al zo veel over gehoord
had, dat lied dat hij al zo vaak gezongen had ‘Scheur toch, o God,
de hemel open’, die geest die Jesaja bezielde, die dienaar van God
die gerechtigheid laat stralen, die niet schreeuwt en tiert, maar
onvermoeid en ongebroken op aarde de gerechtigheid laat zegevieren.
Die geest die anders is dan Johannes verwachtte, hij zag een Messias
in de geest van Elia, met vuur en krachtdadig optreden, op het
gewelddadige af. Jezus ziet iets anders, je zult blinden de ogen
openen, licht brengen voor hen die in duisternis zitten, vrede naar
de verre kusten.
En zie, nog een keer
en zie en nu komt God zelf aan het woord. Zie zegt deze stem
tegen Johannes, want de stem uit de hemel is niet tot Jezus gericht,
er staat niet ‘jij bent mijn geliefde zoon, de man naar mijn hart,
in wie ik welbehagen heb’. Maar zie dit is mijn geliefde zoon,
een man naar mijn hart. Het wordt tot Johannes en zijn
leerlingen gezegd, het wordt tot ons gezegd als wij zouden
twijfelen. Het is God zelf die uit zijn hemel breekt en de
verbinding met de aarde legt. Er is geen sprake van concurrentie,
niet tussen Johannes en Jezus, niet tussen hun leerlingen, niet
tussen mensen en God.
Vanaf het eerste begin zet Matteüs de
samenwerking tussen Jezus en Johannes centraal. Jezus wil
ondergedompeld worden in de bekeringsbeweging die Johannes op gang
heeft gezet, dit doopsel moet gebeuren, zegt Jezus, opdat jij en ik
de gerechtigheid volledig vervullen. En Jezus doet dat op zijn eigen
manier als een vredesduif.
En wij kunnen ons spiegelen aan twee mensen zo
verschillend, zo totaal anders van aard en temperament die samen
bouwen, samen werken aan dat rijk van gerechtigheid en vrede.
Daartoe is het woord dat we horen en daartoe is het gebaar van brood
en beker dat we vieren.
|