|
|
Preken: Matteüs 1,
2 - 12
Door Jozef Driesen
Bij de timmerman is een kindje geboren
"Bij de timmerman
is een kindje geboren". Dat is de belangrijkste zin in de
levensgeschiedenis van Matteus. Matteus woonde in dezelfde straat
als Jozef. Hij had aan het dak van het huis van Jozef de linten
gezien die het blijde nieuws verkondigden. Op een schildje aan de
muur prijkte de naam van de baby: Jezus. Ja, dat was echt zo’n naam
die paste in de familie van Jozef. Net als zijn vader Jakob en zijn
grootvader Mattan was Jozef een vrome man. Matteus veronderstelde
dat Jozef regelmatig in de synagoge kwam, zelf kwam hij er niet
meer. Hij was ermee opgehouden toen hij 16 was. Hij had nog wel Bar
mitswa gedaan; hij kende de Tora en kon die reciteren. Hij geloofde
nog wel in God, maar niet meer in de mensen van de synagoge en al
helemaal niet in die hoge heren in Jeruzalem. Het deed hem wel een
beetje pijn dat zijn geloof een geloof-op-zijn eentje was; hij kon
het niet meer uitzingen met anderen; hij moest het nu letterlijk op
zijn eentje uitzingen. Maar ja, dat was toch beter dan schijnheilig
zijn. Het was een goede traditie om naar een pasgeborene te gaan
kijken en de ouders te feliciteren. Matteus maakte zich gereed. O
ja, hij moest natuurlijk iets meenemen. Hij stak een kaarsje in zijn
zak en stak over naar het huis van Jozef en Maria. Nog niet zo lang
geleden was het een schaapsstal geweest. Jozef had die stal aardig
vertimmerd; het was er nu goed wonen. Hij was er nog nooit binnen
geweest. Het hek stond open, en toen hij aanbelde, stond Jozef
direct aan de deur. Het eerste glaasje wijn was gauw ingeschonken.
"Op het nieuwe leven". Jozef en Maria keken naar hem met ingetogen
stralende blik. Zagen zij iets in hem? Of was het gewoon de
dankbaarheid dat hun een kind geboren was? Ze praatten met elkaar
over het nieuwe huis. Jozef was er echt content over. Bij het tweede
glas wijn ging het over de familie van Jozef. Matteus voelde: hij
was echt binnengekomen in het leven van Jozef en Maria. Ineens
hoorde hij zichzelf vertellen over de oude verhalen die hij als kind
had gehoord, over Jozef in Egypte en over Mirjam en Mozes. Hij werd
warm van binnen. Zij op hun beurt vertelden over de synagoge in
Nazaret. Dat was een mooi gebouw.
Er was op dat
moment een aannemer bezig om het zaaltje bij de ingang te
verbeteren. Zij hadden in die bouwactiviteiten niet zoveel fiducie.
Het was hun in dat gebouw letterlijk en figuurlijk te koud. Het viel
Matteus op hoe trouw ze waren aan hun kerk, en hoeveel pijn het hun
deed dat het daar was zoals het was. Terwijl ze zo zaten te praten,
belde nog een andere buurman aan, Jesaja. Hij was kennelijk beter
bekend aan Jozef en Maria. Hij vroeg meteen aan Jozef of de koningen
op hun kamelen al langs geweest waren. Jozef knipoogde alleen naar
Jesaja en vroeg of het net als altijd een jonge jenever mocht zijn.
Matteus voelde dat hier een geheim speelde. Het moest wel een licht
en lief geheim zijn, want het nam geruisloos zijn plaats in tussen
kamelenvoeten en een glaasje jenever. Ergens in zijn achterhoofd
begon een melodietje te klinken: ‘Drie koningen … ze kwamen van ver
… ze volgden een ster …’. Buurman Jesaja overstemde dat zachte
geluid met het laatste nieuws van het gemeentehuis, dat de wethouder
nu eindelijk wat ging doen aan de stilte in hun straat. Matteus kon
er amper naar luisteren. Gelukkig bepaalde Jozef het gesprek weer
bij het kind dat juist geboren was. Daar was hij voor gekomen en die
koningen – wat daar ook mee bedoeld mocht zijn – waarschijnlijk ook.
Maria stond op en haalde het kind uit zijn wiegje. Hij keek naar het
kindje. "Wil je het zelf even vasthouden?’, vroeg zij. Hij hield het
kind in zijn armen. Zo moest zijn vader ooit met hem in zijn armen
hebben gestaan. Zijn vader was een gelovige man geweest. Hij had
zijn vader zo zien staan toen de jongste bij hun thuis geboren was.
Zijn vader zei toen: ‘Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd’. Hij
wilde dat ook zeggen, maar het woord kwam niet over zijn lippen. Hij
bedankte Maria en Jozef, en ging naar huis. Hij bewaarde alle
indrukken in zijn hart. Toen hij vele jaren later in zijn evangelie
verteld had vanaf Johannes de Doper tot en met dood en verrijzenis,
herinnerde hij zich dat hij kort na de geboortedag van Jezus
eigenlijk alles al had meegemaakt. Hij schreef toen die herinnering
uit in een soort gedicht en liet daarmee zijn evangelie beginnen.
Hij was dankbaar dat hij alles op had mogen schrijven – voor
volgende geslachten.
|