|
Preken: Matteüs
23, 1 - 12
Door Niek Werkhoven, gehouden op 30 oktober 2005
Broeders en zusters worden, zonder elkaar zware lasten op te leggen.
Jezus vraagt het
Naar
dit evangelie luisteren als een weg naar leven, naar een leven dat
je iedereen zou toewensen; de stem horen die bemoedigt, begeestering
kan geven voor de week die voor ons ligt. Ja, dat is de bedoeling,
maar het vraagt wel wat om zo’n oud verhaal als actuele stem te
horen.
Ja,
er worden schriftgeleerden en Farizeeën genoemd, en zo moet onze
praktijk niet zijn, want – zo horen we verder – het gaat erom als
broeders en zusters met elkaar om te gaan. Klare taal zou je kunnen
denken, maar het concrete leven is niet zo simpel dat we met zo’n
klare taal weten waar we aan toe zijn, wat Gods vraag aan ons hier
en nu is.
Wie
bij het woord Farizeeën bij voorbeeld, meteen denkt: ‘o ja die
schijnheiligen en huichelaars’, gaat wel erg kort door de bocht.
Want wie is wel vrij van de discrepantie tussen woorden en
werkelijkheid? Wie merkt, voelt en lijdt niet aan de discrepantie
tussen woorden, gebeden zelfs, die niet passen op de werkelijkheid
van het leven omdat ze te groot, te verheven, of te vlak en te
gemakkelijk zijn? Wie Farizeeërs maar meteen afschiet als
huichelaars, kent de geschiedenis niet. Of, en dat is nog riskanter,
die is waarschijnlijk bezig zijn eigen frustraties en projecties af
te schieten.
Waar
zou dit evangelie ons op kunnen wijzen? Hoe kan dit verhaal ‘het
gedenken van Jezus’ tot in ons leven brengen?
Als de komende
week nog als een blanco papier voor ons ligt, wachtend hoe we dit
gaan invullen, weten we toch ook dat er dagen en weken aan zijn
voorafgegaan, weken die we mee moeten laten tellen. Dat geldt ook
voor dit evangelieverhaal. De eerste woorden veronderstellen al
meteen dat we ons herinneren wat vooraf is gegaan: toen zei Jezus
tot de menigte en tot zijn leerlingen…
Wat
behelst dit schijnbare eenvoudige ‘toen’? Daarvoor moeten we ons
even voor de geest halen dat Jezus naar Jeruzalem gegaan is, terwijl
hij weet en voorvoelt wat hem te wachten staat. Dat roept meteen
vragen op: Waarom zoekt hij deze uitdaging op, waarom provoceert hij
zo het leven?
We
hebben daar de afgelopen zondagen het een en ander over kunnen
horen.
Hoe
hij tegenover de Sadduceeën kwam te staan, het type mensen dat we nu
ook tegen kunnen komen. Mensen van het ‘gezonde verstand’,
nuchterheid vóór alles. Waarom roepen om verandering, wees toch
nuchter, je moet met de tijd meegaan. Verder kijken dan het hier en
nu heeft geen enkele zin. Mensen veranderen toch niet.
En
daarna het verhaal van vorige week, Farizeeën die hem uitdagen.
Grote woorden over liefhebben, blijven die staan als hij stoot op
een muur van onverschilligheid en negatie? God liefhebben als Hij,
wanneer het er op aan komt, ver weg, afwezig is? Om mensen bekommerd
blijven als ze geen boodschap aan je hebben, je volkomen negeren?
En dan: toen
zei Jezus tot de menigte en tot zijn leerlingen… Is
dat anders te verstaan dan zijn hand uitsteken om niet alleen
gelaten te worden? Is dat anders dan een roep om, met hem, op die
God van hem te blijven vertrouwen, ook als hij de grote verliezer
wordt? Een God die leven wil en niet de dood, een God van verbond,
wat haaks staat op aan zijn lot overlaten, al lijkt dat levensgrote
werkelijkheid.
En
vertaal zo iets naar de dag van vandaag. Want we nemen aan dat deze
profeet van God ook vandaag door deze woorden van het evangelie, tot
ons spreekt. Naar ons ook zijn hand uitsteekt in die confrontatie
tussen Gods menslievendheid en het niets dat Jezus daarvan kan zien
of voelen.
Een
God waarbij alle woorden van ons verbleken wanneer we proberen te
begrijpen hoe hij Heer is van de geschiedenis.
Als
we met deze vragen die het evangelie oproept, proberen te in te
voelen wat Jezus dan van de menigte en van zijn leerlingen verwacht,
horen we hem, met Farizeeën voor ogen, zeggen:
‘Zij
doen alles om door de mensen gezien te worden’
– huichelarij en schone schijn?
Maar
wie wil niet gezien worden, meetellen, de moeite waard zijn, een
plek kunnen innemen in de samenleving? Dat is toch normaal, ja een
must. Jezus zelf geeft toch de opdracht om je gaven en talenten niet
weg te stoppen.
Maar
hoe dan?
En
daarmee staan we opnieuw voor die netelige vragen: waarom trok Jezus
toch naar Jeruzalem? Waarom zocht hij die moeilijkheden en ellende
op? Wat heeft dat met God van doen? Hoe moet deze gang van hem in
deze tijd vertaald worden? Wat heeft het met het mijn leven vandaag
de dag van doen?
Een
antwoord op deze vragen, een richting, is wellicht te vinden in de
zinnen die dan volgen?
Maar allen zijn jullie broeders en zusters…
wie zijn
die jullie anders dan ‘de menigte en zijn leerlingen’ uit de eerste
zin.
Menigte én leerlingen, onderscheiden maar onder één noemer: jullie
allen…
Voor
die allen geldt dan dat ze niet mogen toelaten dat er geroepen wordt
‘meester’ m.a.w. ik of jij weet, kent, heeft de macht om te oordelen
of te veroordelen…Niemand mag macht uitoefenen over de ander. Geen
paus, geen regering kan de plek innemen van eigen geweten. Zoals
overigens van ‘geweten’ geen sprake kan zijn als iemand nooit een
woord, een gebaar van een ander heeft toegelaten!
Dat
dus niet, wat dan wel? Dit broeder- en zusterschap koesteren als een
mooie droom? Of vragen deze woorden dezelfde ruimte als het nooit
duidelijk omschreven ‘Rijk van God’: ruim en vaag, maar uiterst
concreet voor een Jezus die zijn leven ervoor over had.
Ja, ik meen dat
ook voor het broeder- en zuster-zijn deze contouren worden
geschetst: geen definitie want iedere tijd, iedere generatie zal het
opnieuw moeten uitzoeken. Uitzoeken en realiseren op grond van die
éne die de Weg naar waarheid en leven is. Verbonden blijven aan de
éne Vader die we alleen leren kennen door alle beelden af te laten
breken. En dat is een hele opgave waar we een leven lang voor nodig
hebben.
Ja, broeders en
zusters worden, zonder elkaar zware lasten op te leggen, dat is –
lijkt me – het heikele punt van dit evangelie, maar óók het
contactpunt om de begeestering en de bemoediging van Jezus te kunnen
ontvangen. Heikel, omdat het veronderstelt dat we staan, opkomen
voor wat behoort te zijn, wat zou moeten, wat ons oordelen vraagt,
én dat we daarin toch niet vast blijven houden aan eigen inzichten,
ervaringen, intuïties, maar vanuit die éne wiens Naam we blijven
noemen, zijn leven blijven herinneren.
Hij
die met deze God van het verbond zijn weg is gegaan, blijft ons
leren dat deze God, juist omdat Hij God is, zo totaal anders is en
onze natuurwetten, onze logische rechtmatigheden, onze verwachtingen
en voorstellingen wel eens totaal op zijn kop kan zetten. En Jezus
vroeg en blijft vragen om zijn leven niet vruchteloos en vergeefs te
laten.
En
dan is niet alles meer om het even.
Dan
stamelen we wellicht: mijn God, U toetst mij en U kent mij.. wijs me
uw weg opdat ik wandel in waarheid..
Is
het zo dat Jezus zijn hand uitsteekt naar de menigte en zijn
leerlingen vandaag? In ieder geval nodigt hij allen uit om zo zijn
Naam te noemen over de gave van brood en wijn dat hij zijn geest in
ons tot kracht kan laten komen.
Dat
moge ieder van ons gegeven worden.
|