Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 22, 15 - 21
Door Tineke Renkema, gehouden op 16 oktober 2005

 

Aan hem behoren wij toe

 

Toen ik voor vandaag het evangelie las, had ik het nodig om terug te blikken op de lezingen van de afgelopen zondagen.

Jezus is in Jeruzalem aangekomen en hij is in gesprek met hogepriesters en oudsten van het volk. ‘Op grond van welke bevoegdheid handelt u’, ondervroegen zij hem. Jezus antwoordt met parabels en die parabels functioneren als spiegels en confronteren ons met de manier waarop wij omgaan met de schepping, die ons in handen is gegeven. Het gaat over onze onbetrouwbaarheid, egocentrisme en onverschilligheid.

Vandaag horen we hoe de gesprekspartners van Jezus op deze spiegels reageren. Maar voordat ik daar op inga, stel ik voor eerst eens te kijken hoe we zelf zouden reageren als we zo geconfronteerd worden. Ontkennen we: nee, dat gaat niet over ons? Roept het verzet of boosheid op? Werkt het verlammend, schieten we in de verdediging of komen wij tot eerlijke zelfkritiek en zien wij door een dergelijke confrontatie heen het verlangen naar liefde en gerechtigheid en raakt dat verlangen ons aan?

Ik werd mij er in ieder geval sterk van bewust dat er iets te kiezen valt. Ik kan kiezen me af te sluiten of ik kan kiezen open te blijven en ik hoef maar even in het dagelijks leven te kijken om te weten hoe moeilijk dat laatste is.

 

Hoe reageren nu de gesprekspartners van Jezus?  

Zullen zij ingaan op de mogelijkheid om open te blijven, tot eerlijke zelfkritiek te komen en zich te bekeren? Het tegendeel is het geval. Geconfronteerd met hun bezitsdrang, hun onbetrouwbaarheid, hun hardheid en onverschilligheid, reageren ze verhard. Zij herkennen niet dat Jezus de waarheid aan het licht wil brengen om de liefde te doen groeien. Hun antwoord is dat zij Jezus willen vangen, isoleren, hem de ruimte willen ontnemen om zijn werk te doen.

 

Hoe doen zij dat? Ik vind het belangrijk om daar bij stil te staan om daar zicht op te krijgen. Want inzicht in hoe kwaad werkt, geeft mij de mogelijkheid om het te ontmaskeren in de eerste plaats in mijzelf, in de ander. Laten we dus goed kijken.

We horen hen zeggen: ‘Meester, wij weten dat u een waarheidslievend man bent en naar waarheid onderricht geeft over de weg van God en U door niemand laat beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen.’

Wat gebeurt hier? Hier wordt de waarheid over Jezus gezegd. Jezus gaat immers de weg van God. Al gaat het hier over de waarheid, toch is hier de duivel aan het woord, want de duivel is niet de duivel omdat hij liegt, maar omdat hij een waarheid zonder liefde spreekt. Het is een liefdeloze waarheid. Het is de waarheid die tegen een mens wordt gebruikt met de bedoeling hem te schaden, zijn goede naam aan te tasten, hem ten val te brengen. Waarheid zonder liefde is een kwaad.

En Jezus, die eerder in de woestijn de beproevingen van de duivel weerstond, herkent het. Hoe herkent hij dat zo onmiddellijk? Ik denk, dat Jezus het duivelse juist kan herkennen omdat Hij zich geliefd weet. Gedoopt om het kwaad te weerstaan. Wetend van liefde kan hij de liefdeloze waarheid herkennen.

Dat geldt ook voor u en mij: In de mate dat wij weet hebben van liefde, in die mate zullen wij het kwaad herkennen.

 

‘Waarom stelt u mij op de proef, huichelaars?’ zo ontmaskert Jezus zijn gesprekspartners. Direct gaat hij daarna in op hun vraag of het toegestaan is de keizer belasting te betalen of niet. Een misleidende vraag, omdat de belastingplicht er is voor iedereen. Maar ook een valstrik omdat zowel een ja als een nee Jezus ernstig in de problemen zal brengen of wel met de bezetters, de Romeinen, ofwel met zijn eigen joodse volk.

Jezus vraagt zijn tegenstanders de belastingmunt te tonen. Alleen al het feit dat zij die munt op zak hebben is voor de joden een gruwel, want op die munt staat een afbeelding van de keizer en het tweede gebod zegt: ‘U zult geen beelden maken’. Een beeld maken kan afgoderij oproepen, waarmee een mens tekort doet aan God.

We kunnen in ieder geval afleiden dat Jezus zelf die munt niet bij zich draagt en dat zegt natuurlijk iets over zijn standpunt.

Jezus zegt dan: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer.’ Er staat letterlijk: ‘Geef terug.’ Geef deze munt terug aan wie hem toebehoort. Ik hoor zoiets als: Laat de munt de munt zijn en geef het geen ander gewicht, blijf er vrij van. Dat is het eerste antwoord, maar daar laat Hij het niet bij. Hij gaat verder: ‘en geef aan God wat aan God toebehoort’.

 

Wat betekent dit? Hoe kunnen wij dit verstaan?

Wat behoort God toe? Dat is ons eigen leven. Wij hebben onszelf niet gemaakt. Wij hebben het leven van Hem ontvangen. Wij zijn niet van onszelf, wij zijn niemands bezit, we behoren niet toe aan een ander mens, aan een keizer of wie of wat dan ook. Wij mensen behoren aan God. Wij zijn zijn beeld. Hij heeft zijn zegel op ons gedrukt.

Jezus ontkent niet dat wij in de werkelijkheid leven, waar mensen leven in machtsrelaties. Hij ontkent niet dat wij leven in een werkelijkheid van economische wetten en verhoudingen, maar wanneer wij God erkennen als de enige, als de ene, als er geen Ander is dan Hij, zoals we bij Jesaja hoorden, dan zijn wij vrije mensen, slaaf van niemand of niets, ook niet van onze economische verhoudingen, ook niet van keizers of andere machthebbers.

Bij het maken van deze preek overviel mij een groot geluk, dit besef van het aan God toebehoren en dus vrij te zijn. Maar dit besef van vrijheid maakt dat ik kan en moet kiezen me niet te laten bezetten en niet te bezitten, niets en niemand.

God geven wat hem toebehoort, is aan de mens geven wat hem toebehoort. Aan God teruggeven wie ik ben. Mijn vrijheid, mijn ik gebruiken om vrijheid te scheppen, de levensruimte te bieden voor ieder die naast mij staat.

Het is een geschenk Hem toe te behoren en niet alleen voor onszelf te hoeven leven, niet meer opgesloten in mijn eigen ik, maar open.

Laten we dit geschenk vieren.