|
Preken: Matteüs
22, 1 - 14
Door Nel van Cuijk, gehouden op 9 oktober 2005
Geloof je nog in liefde
Door
de profeet Jesaja en door Jezus wordt ons vandaag een beeld gegeven
van een uitnodigende God, van een God die een geweldig feest wil
geven en het beste van het beste voor deze dag voor dit feest
bewaard heeft. Een feest waar alle volken deel aan mogen hebben.
Alle gemeenschappen worden uitgenodigd, opgeroepen door de profeet
om er bij te horen. Je wordt opgeroepen je bij dat feest te voegen.
En mocht het leven, het werken in het rijk Gods, het deel uit maken
van die gemeente/gemeenschap al eens ooit tegengevallen zijn, dan
wordt dat vandaag goed gemaakt. Tranen worden afgewist, de sluier
van verveling, van de saaiheid, van de sleur en de routine, die
sluier wordt weggenomen. Dat is de belofte vandaag, dat is de oproep
aan het volk ten tijde van Jesaja, aan de mensen rondom Jezus, en
vandaag is het uitnodiging aan ons, aan mij. Zo wil ik me laten
aanspreken. Wil je naar het feest komen, je wordt uitgenodigd.
Parabels zijn leergesprekken, er zit een clou in en die zie je of je
ziet hem niet. Je kunt een parabel ook niet uitleggen, tenminste ik
kan dat niet. Ik kan er wel iets omheen zeggen, wat me is opgevallen
of wat vragen heeft opgeroepen.
De
parabel gaat over een bruiloft
Vanouds is dat in de schrift een teken van belofte en toekomst. In
de verhouding van God met zijn volk wordt vaak het beeld van
bruidegom en bruid gebruikt, die verhouding betekent verbondenheid,
trouw, liefde.
Op
het tempelplein is Jezus, in gesprek met de oudsten en
hogepriesters, midden in het centrum van de macht.
En
sinds vorige week weten de oudsten en de Farizeeën dat in ieder
geval de parabel over de misdadige pachters van de wijngaard op hen
slaat. Want zo staat dat geschreven bij Matteüs: “Toen de
hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen
ze dat hij over hen sprak”. En als reactie daarop staat dat ze hem
graag gevangen willen nemen.
Uit
de weg ruimen.
Dat
is al wat, iemand zal je kwetsbaar een spiegel voorhouden en je
beseft dat het over jou gaat en het enige wat je kunt denken is: ik
zal je uit de weg ruimen.
Op
een bruiloft zijn gasten en wie gaat er nu niet graag naar een
bruiloftsfeest. Dat is echter in deze parabel niet zo. De reactie
van de genodigden is vreemd. Ze negeren de uitnodiging, het laat hun
onverschillig, nonchalant, achteloos bijna reageren ze. Ze hebben
wel betere dingen te doen dan naar zo’n feest gaan.
Als
reactie daarop nodigt de koning dan zomaar iedereen uit. Jan rap en
zijn maat worden van de straat gehaald om mee te feesten. Lijkt het
wel. Aan een zomerkamp mag je meedoen als iemand je kent, als je een
vriend van een vriend bent, dat was al laagdrempelig, vond ik, maar
dit is nog erger. Gewoon, de goeie en de kwaaien.
En
dan natuurlijk dat bruiloftskleed: het lijkt me nogal wiedes als je
van de straat opgepikt wordt dat je dan geen bruiloftskleed aan
hebt.
Het
gaat allemaal niet vanzelf met dat rijk der hemelen, er zijn nogal
wat haken en ogen aan. Mensen, in ieder geval in de tijd van Jezus,
willen niet. Er is geen tijd voor feest, er moet gewerkt worden en
die koning, die God met zijn uitnodigingen ze kunnen hem niet
gebruiken.
Hij
loopt ze danig in de weg, met z’n feest van verbond van liefde, van
trouw. Opruimen, uit de weg ruimen de dienaren die met een boodschap
van hem komen.
Misschien kunnen we in onze tijd zeggen: niet luisteren naar die
stem in je binnenste, geen aandacht besteden aan gebed, aan stilte.
Geen tijd meer om op zondag een uurtje naar de kerk te gaan.
Verbond, liefde, nee, geen tijd meer voor.
Het
is dan ook geen wonder denk ik dat dit op een bloedbad uitloopt. Als
er in een natie, een land, een gemeenschap zoveel onverschilligheid,
zoveel nonchalance is gegroeid, dan hoeft er niemand een leger te
sturen, dan is er angst en radeloosheid en dan vallen er bommen en
dan breekt er brand uit.
Maar
het rijk Gods komt, zegt Jezus; dan maar met wie er zoal op straat
rond loopt. Mensen misschien die het zo min hebben dat ze wel moeten
dromen van een ander leven, van een leven waar liefde nog wel wat te
zeggen heeft. Het wordt dat feestmaal van alle volken waar Jesaja
het al over had. Goede en kwade mensen, zegt Matheus.
En er
is iemand zonder bruiloftskleed. Hoort die bij de goede of bij de
slechte, daar staat niets over. Naar een bruiloft gaan zonder
bruiloftskleed. Gaat dat over een kleed, over een mooie jurk of een
net pak.
Jesaja zegt ergens: het bruiloftskleed wordt
gedragen door hen die een toevlucht zijn geweest voor de geringen,
een houvast voor de armen in nood.
Het
bruiloftskleed wordt dus gedragen door een mens die een ander ziet
staan, een mens die nog in liefde gelooft.
En
wie zijn wij, wie ben ik vandaag? Die rijke die het wel goed heeft,
die van de straat opgeraapte, de dienaar misschien die met een goede
missie komt en die toch met niks terug moet naar zijn meester,
uitgelachen wordt met zijn geloof in liefde en gemeenschap. De mens
die het niet meer gelooft.
We
zijn hier en nu uitgenodigd, goede en slechte. Er zal straks brood
en wijn worden uitgedeeld aan ieder die zijn of haar hand uitsteekt,
brood en wijn voor iedereen een klein voorproefje van dat rijk der
hemelen dat ooit komen zal.
|