Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 20, 1 - 16
Door Nel van Cuijk, gehouden op 18 september 2005

 

Heb ik wel op de markt gestaan?

 

Parabels en zeker deze parabel werken bevreemdend, willen een schokeffect te weeg brengen en bij deze lukt dat heel goed, althans bij mij.

In de cursus ‘leken preken’ heb ik geleerd dat je eerst maar eens alle irritaties zo er die zijn op moet noemen, want er is alle kans dat die irritaties ook bij anderen leven. Dus steek ik maar van wal, want ik lijk wel degelijk op de man of vrouw uit de parabel die de hele dag gewerkt heeft en meer uitbetaald wil krijgen dan die anderen die maar een uur geploeterd hebben.

En de baas mag best goed zijn voor anderen, maar toch niet over mijn rug en als hij voor anderen goed is, kan hij voor mij toch ook goed zijn. En O.K,  ik was een denarie overeengekomen, maar waarom betaalt hij mij dan niet als eerste uit, zodat ik niet hoef te zien wat die anderen krijgen? Want wat niet weet, wat niet deert. En natuurlijk mag hij met zijn geld doen wat hij  wil, maar het zet inderdaad kwaad bloed.

 

De parabels, zo lees ik bij de geleerden, zijn geen verhalen over de realiteit. Het is pseudo-realisme en deze parabel wil ook niet iets zeggen over fatsoenlijke sociale verhoudingen of over een goede arbeidsovereenkomst. Daar zegt deze parabel niets over. Het is geen heilige schrift voor bazen om daarmee hun arbeiders uit te buiten. En ook geen vrijbrief voor de westerse wereld om fabriekswinsten te maken in landen met goedkopere arbeidslonen.

De parabel wil wel iets zeggen, iets wat mijn, onze redeneringen over hoop gooit en ook iets waar we met redeneren niet uit komen.

 

Ik kan de parabel niet uit leggen. Ik kan hoogstens vertellen wat deze parabel zoal in me opgeroepen heeft.

Als eerste de vraag: aan wie wordt deze parabel verteld?

Voorafgaand aan dit verhaal horen we de vraag van een man met veel bezittingen. Hij vraagt  hoe hij het koninkrijk van God, het eeuwig leven zou kunnen verwerven. De afloop kennen we: de man ging terneergeslagen heen. Dan vraagt Petrus:  en wij dan? Wij, in tegenstelling tot die rijke man, hebben wel alles achtergelaten, dus wat zullen wij dan krijgen? En Jezus zegt dat ze gezag zullen krijgen en een overvloed aan broers, zusters, moeders en vaders en akkers en het eeuwige leven. Hij zegt hen dat veel eersten de laatsten zullen zijn en veel laatsten eersten.

En dan vertelt hij deze gelijkenis, aan de eerste van de leerlingen, aan die harde werkers van het eerste uur. Wat Petrus bij het horen van deze parabel gedacht heeft, weet ik niet.

 

Een tweede vraag die bij me opgeroepen werd, is: waarom wordt deze parabel verteld?

Het kan niet anders of er is gemopper, onenigheid in de gemeente, in de gemeenschap,  over geleverde prestaties en de beloning daarvoor. Er wordt waarschijnlijk vergeleken: kom ik er niet bekaaid af in vergelijking met anderen?

En de werkers die er al hun krachten aan gegeven hebben, die actief en betrokken zijn en er alles voor over hebben gehad, zij, wij, die alles achtergelaten hebben, zij hoopten meer te krijgen.. Dat is een normale reactie. Ik herken het wel, in mezelf en om me heen.

 

Wat is er in die mensen omgegaan die daar de hele dag op die markt gestaan hebben? Mensen die zichzelf hebben aangeboden als werkers, maar die niet nodig waren, Zij  zijn niet in tel. Zij zijn overgeschoten, over het hoofd gezien. Zinloos, werkeloos, vruchteloos. Zij zien geen zin en samenhang meer. Ik ken er onder ons die graag zouden werken. Had ik daarmee willen ruilen?

 

Toen we er samen naar keken om deze dienst voor te bereiden, riep de parabel nog een vraag in ons op: Heb ik wel op de markt gestaan, heb ik me aangeboden om in de wijngaard te werken? Vraag ik er naar wat de Heer wil, wat God van mij wil, wat gemeenschap van mij wil? Of houd ik mij schuil, laat ik de God, de gemeente, de gemeenschap maar vragen….

 

En dan,  als je protest geklonken heeft, je teleurstelling over wat je wel of niet gekregen hebt, en of dat in je ogen voldoende was en rechtvaardig, dan hoor je: Vriend, makker, ik doe je toch geen onrecht. In dat antwoord klinkt de echo van de vader in het verhaal van de verloren zoon: Jongen,  je bent toch altijd bij mij geweest en wat van mij is, is van jou.

Vriend, makker, dat wat wij overeengekomen zijn, dat wat je met volle bewustzijn gekozen hebt en ook wat je daarin overkomen is aan goeds en moois, aan zinvolheid en vruchtbaarheid, blijf daarbij. Neem dat aan. Laat het je niet afnemen, door het zien dat de laatsten de eersten zullen zijn…

En als je dat hoort  en als je protest en verontwaardiging en wat dan ook er hebben mogen zijn..Dan, dan is het ook mogelijk om met Jesaja te vragen:  en wat betekent dat nu? En God? Wie is God nu voor mij? God, die zo anders is, zijn heiligheid die zo bevreemdend is ten opzichte van mijn/onze gedachten en plannen. Die echter, hoe anders ook,  slechts voor ogen heeft dat hij nabij wil zijn, zich wil ontfermen en ruimhartig wil vergeven.

God die elke drie uur langs komt om mij en jou op te nemen in zijn wijngaard. God wiens gedachten zo anders zijn dan de mijne.