|
Preken: Matteüs
16, 13 - 20
Door Tineke Renkema, gehouden op 21 augustus 2005
Een vraag, een antwoord: zo wordt gemeenschap gesticht
Vorige week zondag hoorden wij hoe Jezus a.h.w. beproefd werd in
zijn opdracht, in zijn roeping. Het werd hem door de religieuze en
politieke leiders steeds moeilijker gemaakt in het openbaar op te
treden en zo was hij steeds meer uitgeweken naar het grensgebied,
steeds verder weg van Jeruzalem, als centrum van religieus leven. In
de ontmoeting met de Kanaänitische vrouw, die vreemde ander, zagen
we hoe hij zich laat openen, maar tegelijkertijd trouw blijft aan
zijn oorspronkelijke opdracht.
En
nu:
Hij bevindt zich nog in het grensgebied, het
gebied van Caesarea, een welvarend gebied. In dit gebied hebben
mensen het goed en vragen rond zin en betekenis komen niet makkelijk
op. Maar Jezus heeft de keuze gemaakt, hij is onderweg naar
Jeruzalem. Hij kiest ervoor er te zijn voor de verloren schapen van
het huis van Israël, ook al waagt hij zijn leven daarmee, in het
vertrouwen dat God met hem zal zijn.
En
dan horen we hem die, voor ons overbekende, vragen aan zijn
leerlingen stellen: Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is en wie
ben ik volgens jullie?
Waar Jezus zich zo trouw toont aan zijn opdracht,
ligt het niet voor de hand zijn vraag aan de leerlingen te
interpreteren als een vraag om persoonlijke bevestiging. Het gaat
niet om zijn persoon. En dat juist is kenmerk van het ware! (Was
zoiets ook niet zichtbaar bij Frère Roger, dat het eerder om de
beweging gaat die ontstaan is in Taizé, dan om zijn persoon.) De
vraag van Jezus m.b.t. wie hij is, lijkt eerder verband te houden
met, zo zouden wij het nu zeggen, of er al dan niet draagvlak is
voor zijn roeping. Zullen zijn leerlingen met hem gaan?
De mensen blijken, zo zeggen de leerlingen, het
antwoord op deze vraag van Jezus naar zijn identiteit te zoeken in
de geloofsgeschiedenis, bij de profeten. Dit geeft zeker de richting
aan, maar toch: wie is Hij volgens de leerlingen zélf? En Petrus
waagt het dit ongehoorde antwoord te geven: “U bent de Messias, de
zoon van de levende God”. Een belijdenis, zoals nog niet eerder
uitgesproken! In U heb ik gezien, wie God is, hoe de mens is, zoals
bedoeld, de mens als beelddrager van God, zo hoor ik zijn antwoord.
We
horen de reactie van Jezus: een zaligspreking: “Gelukkig ben jij”!
Maar voordat Petrus en zijn medeleerlingen de kans krijgen dit
antwoord op te vatten als een persoonlijke bevestiging, voegt Jezus
toe: ‘Dit inzicht, waarvan je getuigt, is niet van jou, is niet jouw
verdienste, jouw prestatie, maar dat is je gegeven! Zie, zo werkt de
geest van God. Zie, ook in jou: een spoor van God’.
En
dan gaat Jezus verder: Het antwoord dat Petrus geeft, de belijdenis
die hij uitspreekt, wordt tot roeping: “Jij, bent de rots, waarop ik
mijn kerk zal bouwen... ik zal je de sleutels geven ... en al wat je
bindt zal bindend zijn... wat je ontbindt zal ontbonden zijn...”
Het
antwoord van Petrus, de belijdenis, wordt door Jezus geduid, als het
fundament voor opbouw van gemeenschap, van christelijk leven: Kunnen
herkennen waar God aanwezig komt.
De
belijdenis is het fundament van gemeenschap!
Petrus als vertegenwoordiger van de leerlingen getuigt met zijn
belijdenis dat hij zich laat leiden door de werking van de Geest,
ontvankelijk, open voor de werking van God.
Dit en niet zijn persoonlijke volkomenheid geeft
aan hem de sleutels in handen. Zie immers ook hoe kwetsbaar hij en
de zijnen zijn, hoe onvolmaakt hun geloof, hoe ondraaglijk het voor
hen nog zal zijn om bij hem te blijven op zijn weg. Kleingelovig
noemt Jezus hen ook vaak.
En
toch: Hij en zijn medeleerlingen zullen de gemeenschap dragen,
leiding geven, beslissingen nemen, juist op grond van dat vermogen
tot onderscheiding. Onderscheiden waar iets van God zichtbaar wordt
en waar niet. En hun onderscheiding zal bindend zijn.
Zo luisterend kom ik op het spoor wat dit voor
ons nu, in onze tijd zou kunnen betekenen. Hebben wij nu een
sleutel in handen voor opbouw van deze kerk, deze gemeenschap? Ik
kwam tot het volgende:
Allereerst: Het stellen van de vraag!
Ik
zie bij Jezus het grote belang van het stellen van de vraag: Wie
zeggen jullie dat ik ben? Een vraag niet om bevestiging, niet omdat
je het niet weet, want Jezus was immers juist vol van zijn opdracht,
maar een vraag om de weg vrij te maken voor een gezamenlijke
opdracht, voor een gezamenlijke weg: een vraag die verbondenheid
bewerkstelligt. Daar gaat het om!
Deze
vraag mogen wij, in navolging van Jezus, dus alleen aan elkaar
stellen als het om die roeping, die opdracht gaat van christelijk
leven concreet maken, maar dan moeten we hem ook durven stellen. Die
vraag die de ander uitdaagt. Ben ik, zijn wij daar soms niet te
huiverig voor?
Ten
tweede: Het geven van een antwoord!
De
grote betekenis van het geven van een antwoord, zoals Petrus dat
doet. Een antwoord geven op grond van wat je ziel heeft ervaren aan
die ander, in wie zich iets van God openbaart. Het is risicovol,
want je zult er aan veranderen, want met je antwoord zal je ook
worden gevraagd trouw te blijven aan wat je ziel heeft gezien. Wat
het mij zegt? Als ik die ander zie in zijn roeping, zal ik hem of
haar daarin ook moeten dragen. Ook dit bewerkstelligt verbondenheid.
Daar gaat het om! En ben ik, zijn wij soms niet te huiverig om te
antwoorden en ons zo te engageren aan ons antwoord?
Tenslotte: De vraag naar identiteit, naar onze roeping als
gemeenschap is de vraag naar draagvlak.
Het
is de vraag of wij met elkaar op weg willen blijven gaan, onzeker of
deze beweging van kerk toekomst heeft.
Het
is daarbij van belang dat ik ontvankelijk ben voor die ander, die
met de hem gegeven sleutel iets opent.
Het geloven in die ander, die iets
zichtbaar maakt van het koninkrijk van God en dat geloof in
die ander uitspreken, dat geeft ons de sleutel in handen voor
gemeenschap zijn in Zijn Naam.
De vraag aan ons is: willen wij zo die a(A)nder
volgen?
|