|
|
Preken: Matteüs
16, 13 - 20
Door Niek Werkhoven
Nu of nooit
Zondagmorgen, we
horen dit stukje evangelie dat ons wil herinneren aan het leven
vanuit Geest. Deze zondagen na Pinksteren zijn immers op te vatten
als een vorming om vanuit heilige Geest te leven. Dat vraagt om een
vertolking, Geen gemakkelijke opgave. We zijn onder de indruk van de
verschrikking van de ramp die Turkije heeft getroffen. Dat plaatst
het nieuws over Kosovo wat naar de tweede plaats, ofschoon het
geweld daar ons intens bezig houdt. We hebben twee sterfgevallen te
verwerken. En dan zit ieder dan nog met zijn eigen belevenissen en
ervaringen. Maar als ik aan de actualiteit van ons eigen leven denk,
kom ik op woorden als draagvlak, keuze, engagement, luisteren,
invoegen en bovenal vertrouwen. Deze woorden brengen dit evangelie
dichtbij, lijkt me.
In de eerste zin
horen we dat Jezus zich in Caesarea van Filippus bevindt, het
bronnengebied van de Jordaan. Dat betekent dat Hij zich aan de
uiterste grens van Israël bevindt. In het voorafgaande is er bij
herhaling sprake van het uitwijken van Jezus. Als Johannes gevangen
wordt genomen wijkt Hij uit naar Galilea, vandaar weer verder naar
eenzame plaatsen. Nu staat Hij aan de grens. Zal Hij Israël
verlaten?
Het lijkt me dat we hier iets tegen komen van de
eerste beproeving van Jezus: "Als je zoon van God bent…" Maar Jezus
mag de werkelijkheid niet naar zijn hand zetten. Hij stelt Gods
macht present, een macht die vrijheid wil, en juist niet met geweld
dwingt tot onderwerping.
"Wie zeggen de
mensen dat de mensenzoon is?" Jezus vraagt geen bevestiging, maar of
de mensen, het gewone volk aan Hem iets herkent, erkent van de
traditie waarin ze leven. Denkt en reageert het volk zoals zijn
religieuze en politieke leiders, die Jezus fel afwijzen? We horen
het antwoord. Sommigen zien Hem als Johannes de Doper, Elia of nog
een andere profeet. Jezus wordt door het gewone volk in de lijn
geplaatst van profeten, mensen die in woord en daad aantoonden hoe
de relatie met God er voor staat. Er is dus draagvlak voor zijn
`boodschap’, laten we zeggen voor zijn project, voor zijn visie.
Maar jullie, leerlingen, volgelingen, wie zeggen jullie dat Ik ben?
Zij zullen zijn werk voortzetten d.w.z. verder gaan met het
aankondigen dat het Rijk Gods nabij is. Er voor staan met daad en
woord dat Gods macht sterker is dan alle machten die schijnbaar zo
het leven beheersen. Hebben zij dat in Jezus gezien?
Petrus antwoordt: "Ja Jij bent de Gezalfde, de zoon van de levende
God." Deze meester die zo’n ongewone weg gaat, zo’n ongewone
praktijk laat zien, dat is Gods werk, zo laat Hij zijn nabijheid en
macht zien. Opvallend, Jezus vraagt de anderen niet stuk voor stuk
of ze het eens zijn met deze woorden van Petrus. Het is blijkbaar
genoeg als er één spreekt waar de anderen zich naar kunnen voegen.
"Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dit
onthuld..." Geloof, echt vertrouwen leven ontspringt niet in ons
verstand of gevoel. Maar God "door wie wij leven, bewegen en zijn"
(Handelingen 16) laat zich niet onbetuigd en `openbaart’ zich in de
werkelijkheid van ons bestaan.
Zó gaat het
blijkbaar: in de werkelijkheid van ander, van het andere, iets van
de levende God gaan zien! Dat, zo lijkt het evangelie te
zeggen, is geen kwestie van `vlees en bloed’, van redenerend
verstand of spontaan gevoel. Het onthullen zullen we eerder kunnen
verwachten wanneer we zoeken naar de zin van het leven met een
bereidheid eigen ideeën los te laten. Een hele kunst, want dan gaat
het er niet om ons verstand of gevoel uit te schakelen, maar de
ontmoeting met de ander, het andere, werkelijk aan te gaan. En
misschien is ontmoeting dan nog te zwak. Want een ontmoeting als
dialoog, zeg communicatie, vereist een bereidheid zich te laten
omvormen door wat de ander zegt.
Volgende week zullen we het vervolg op dit
evangelie horen: "Jezus begon zijn leerlingen duidelijk te maken dat
Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden …" Direct na de
erkenning van zijn levenswerk, zal dezelfde Petrus toch aandringen
op een andere levensweg!
Vandaag eindigt ons evangelie met het dringend
verzoek toch maar aan niemand te zeggen dat Hij de Messias is. Moet
dat een geheim blijven, en waarom dan? Zou het zo kunnen zijn dat
het erkennen van Gods sporen in de geschiedenis, zijn nabijheid,
door ieder zelf beaamd moet worden. Je zou ook kunnen zeggen dat de
zin van de geschiedenis, de grote zowel als de kleine persoonlijke,
niet door veronderstellingen, of mooie zinnen duidelijk wordt. Het
vraagt een bewuste keuze, een erkenning, een engagement dus. Dat was
toen zo, maar dat geldt vandaag de dag nog net zo. Zoiets, lijkt me,
wordt ons vandaag voorgehouden als we dit evangelie in de liturgie
horen. We bieden daarin ons brood aan, ons werk, ons bestaan. Om dit
open te laten breken en opengebroken zal het een lege ruimte laten
zien: ruimte voor de Geest die leven geeft.
Moge het zo zijn.
|