|
|
Preken: Matteüs
15, 21 - 28
Door Koos van Etten, gehouden op 14 augustus 2005
Ontmoeting van Jezus met de kanaänitische vrouw
Ontmoeting: de vreemde ander toelaten
Vanuit een studieweek die wij met enkelen in het voorjaar gehouden
hebben, zal ik proberen dit verhaal van de ontmoeting tussen Jezus
en de Kanaänitische vrouw, opnieuw tot leven te brengen.
Jezus trekt verder en komt aan de grens met het
gebied van Tyrus en Sidon, in het hoge Noorden van het land. Hij is
al een paar keer uitgeweken, steeds verder weg van Jeruzalem en de
leiders van het volk, en nu komt hij aan de grens van een heidens
land.
Daar wordt hij aangesproken door een
Kanaänitische vrouw, die hem om hulp roept voor haar dochtertje:
‘Kyrie eleison’, ‘Heer, heb medelijden, Zoon van David’. Opmerkelijk
is dat die vrouw de hulp inroept van een vreemdeling die in haar
streek rondloopt, en hem ook nog aanspreekt met ‘Heer, zoon van
David’. Op een of andere manier moet zij iets gehoord hebben en
erkent zij hem in wie hij is. Maar Jezus geeft haar geen antwoord.
Dat is vreemd, iets ongehoords. Zoiets lezen we nooit in het
evangelie. Waarom zwijgt Jezus? Is hij arrogant, weigert hij op haar
in te gaan? Ik denk het niet, want Jezus is al een tijdje
uitgeweken, omdat het almaar gevaarlijker voor hem werd. Ik denk dat
hij beproefd wordt en onverwacht voor de vraag komt: moet ik ingaan
op die vrouw en mijn eigen volk vergeten? Zal ik naar de heidenen
gaan en zo de moeilijkheden in mijn land ontvluchten? Die vraagt
speelt in hem, denk ik. Als dan de leerlingen tegen hem zeggen:
‘Stuur die vrouw toch weg, want ze roept ons maar achterna’, zegt
Jezus heel resoluut: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren
schapen van het huis van Israël.’ Zo ligt het in het plan van God:
het herstel van het volk van Israël. Hij weet nu innerlijk zeker: ik
moet mijn roeping trouw blijven en me niet laten verleiden een
andere weg te gaan.
Maar dan gaat de vrouw verder. Ook zij is aan een
grens gekomen, zij staat met de rug tegen de muur en roept: ‘Heer,
help mij’. Ze komt nu niet alleen meer op voor haar dochtertje, maar
voor haar zelf: help míj. Ze zet alles op het spel. Maar voor een
derde keer geeft Jezus een afwijzend antwoord. Hij zegt dat het niet
goed is het brood van de kinderen, d.w.z. van het volk Israël, te
geven aan de honden d.i. de heidenen. Die woorden moeten voor de
vrouw niet alleen afwijzend, maar zelfs zeer pijnlijk geweest zijn.
Zij wordt vergeleken met een hond, een onrein dier. Wordt ze nu
verdrietig of laat ze zich wegslaan? Nee, dat doet ze niet; ze laat
zich niet laat wegslaan. Integendeel, ze keert zich opnieuw naar
Jezus en zegt: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch ook de
kruimels van de tafel van hun baas.’ Zij laat in haar reactie Jezus
in zijn waarde, maar weet een gaatje te vinden in zijn redenering en
maakt die kleine opening tot een geweldige doorbraak. Want dan, op
dat moment, keert Jezus zich helemaal naar de vrouw toe en zegt:
‘Vrouw, groot is je geloof.’ ‘Vrouw’, zo spreekt hij haar aan en
laat haar daarmee in haar waarde en getuigt van een diep respect.
Hij voegt er aan toe: ‘Groot is je geloof’. Wat je hebt laten zien:
je vasthoudendheid, je geestkracht, ondanks afwijzing en
vernedering, getuigt van een groot geloof. ‘Wat je verlangt, zal
gebeuren.’ Dat is niet alleen een mooie wens of een vrome uitspraak,
maar een woord dat gedaan zal worden: het zál gebeuren. En vanaf dat
moment is haar dochtertje genezen.
Wat
is het verwonderlijk te zien dat Jezus enerzijds trouw blijft aan
zijn roeping en anderzijds die vrouw helemaal toelaat. Dit is een
echte dialoog: hij blijft luisteren en door te luisteren, verandert
hij. En de vrouw weet op haar manier een doorbraak te forceren.
Zo
wordt in het evangelie van Matteüs een opening gemaakt naar de
heidenen. Hierna vertelt Matteüs van een tweede
broodvermenigvuldiging, waarbij ook de heidenen aan tafel zitten.
Jezus zelf zal zijn weg gaan naar Jeruzalem, zal daar lijden en
sterven. Maar in zijn roeping voor Israël draagt hij de doorbraak
naar de heidenen mee. Op het eind van het evangelie, als Jezus
verrezen is, zal hij naar zijn leerlingen zeggen: ‘Ga en maak alle
volkeren tot mijn leerling.’ Dan is het perspectief wereldwijd.
Dit verhaal roept veel op, b.v. het is belangrijk
om de dialoog te durven aangaan met de vreemde, met de ander. Dat
betekent durven luisteren naar het vreemde, om enerzijds trouw te
blijven aan je roeping, maar anderzijds je te laten veranderen,
zodat er een nieuwe opening komt. Dat geldt voor ons als persoon,
maar ook voor ons als gemeenschap. We kennen het misschien uit de
voorbije vakantieperiode; ik zie het ook in Wim-Thea die gisteren
het bestuur van de oecumenische gemeente van Monte Gordo ontvangen
hebben. Zo’n ontmoeting is niet zonder consequenties.
Mag
dit woord ons vandaag en de komende week richting geven.
|