|
|
Preken: Matteüs
14, 22 - 33
Door Nel van Cuijk, gehouden op 10 augustus 2008
Verbrijzelde beelden
Elia ziet het niet meer zitten, hij is het zat,
doodmoe van het vechten met de gemeenschap van Israël. Alles heeft
hij gedaan, vuur uit de hemel laten komen, God aangeroepen, de
gemeenschap van Israël opgericht, hen van hun angst voor de Achabs
en Izebels bevrijd. Geschreeuwd en gestreden om het volk te wijzen
op waar het God om begonnen is. Terug dus naar Mozes, naar de Thora,
want in die tien woorden staan de leefregels voor een goede en
rechtvaardige wereld. Nog altijd, tot op de dag van vandaag zijn die
tien woorden genoeg. Maar de Izebels van deze wereld geven de strijd
niet zo gemakkelijk op en de Achabs ook niet. Maar nu is het Elia
genoeg, hij is op, het vuur is gedoofd.
Dit is de context waarin Elia de woestijn
intrekt, in eerste instantie niet om God te zoeken maar om te
sterven. Hij heeft iedereen weggestuurd en zelfs geen eten
meegenomen. Daar helemaal alleen dringt er een stem tot hem door,
een stem die hem dwingend vraagt tevoorschijn te komen. Zich niet
langer te verbergen in de spelonk, in het graf a.h.w., maar aan te
treden voor de Heer. Elia gehoorzaamt, dan komen de van oudsher
bekende Godsbeelden voorbij. De stormen, de aardbeving en het vuur.
Beelden van God als de machtige die alles overhoop kan halen,
beelden van God die Elia kent van Mozes, zijn grote voorganger. God
sprak immers uit het vuur en in splijtende bergen en verbrijzelde
rotsen die dan water gaven. God deed hem zijn hand uitsteken en een
sterke wind spleet de zee in tweeën. Die beelden zijn hem bekend en
hij heeft ze zelf gebruikt met zijn machtige vraag aan God om vuur
te zenden op zijn door water doordrenkte koe om zo de Israëlieten te
overtuigen dat de God van Israël machtiger is dan alle Baäls samen.
En God had hem verhoord, maar nu is er geen God in deze machtige,
gewelddadige, overweldigende tekenen. Er is een stilte, een tot
stilte beukende stem, zegt Waayman. Een stilte die Elia noopt zijn
gezicht met zijn mantel te bedekken. Inkeren moet hij naar zijn
diepste zelf, de tot stilte beukende stem vermorzelt de Godsbeelden
die hij had, geen God van machtige, overweldigende daden maar een
God nauwelijks te horen, nauwelijks te voelen en tegelijk voor het
gehoor en voor het gevoel aanwezig, zoals je een zachte bries kunt
voelen en de wind kunt horen. Om dat te horen moet je stil zijn,
ingekeerd.
Adembenemend is het, vind ik, als je zo van je beelden bevrijd
wordt. Dit nieuwe beeld van God schept in Elia een nieuwe kracht,
hij gaat terug, terug naar de gemeenschap van de Israëlieten en
stelt een stel medewerkers aan, Elisa en een koning. Elia werkt niet
meer alleen maar in samenwerking met.
En
dan het vervolg op de broodvermenigvuldiging van vorige week. Jezus
stuurt zijn leerlingen op weg, in dit geval het water op, de boot
in, het ware leven tegemoet zou je misschien ook kunnen zeggen. Het
leven zonder de directe nabijheid van Jezus, het leven zoals ze het
ooit zullen moeten leven. Nu vast een voorproefje, voor na de dood
en verrijzenis van Jezus.
Jezus
blijft alleen achter, Jezus blijft bij de vader, zoekt de relatie
met God in de stilte, in de eenzaamheid. De leerlingen in het schip,
het schip van de kerk, van de gemeenschap ploeteren met tegenwind en
tegenstand, met angst om het hoofd niet boven water te kunnen
houden. Spoken zien ze, in de war zijn ze van streek, hallucinaties
van een mens die over het water wandelt, of toch niet, het spook
blijkt hun vriend en voorganger te zijn. “Wees gerust, ik ben het,
vrees niet.” Vrees niet, op iedere bladzijde van de bijbel kom je
het wel een keer tegen, wees maar niet bang.
En
Petrus waagt de sprong, hij zal over water lopen, tot hij merkt hoe
hard de wind is en hoe hoog de golven. Is hij niet net wij, bereid
tot van alles zeker als het ons meezit. Maar o zo gauw weer bang en
klein en onzeker en schreeuwend ‘Heer, red mij’.
Onze
beelden van geloven, van God, onze beelden van gemeenschap en van de
ander en hoe hij/zij moet zijn en wat hij/zij moet doen, vandaag
horen we hoe ze in stukken vallen, verbrijzeld en uiteengescheurd
worden, zodat we de tot stilte beukende stem kunnen horen, de
fluistering van de zachte bries en onze beelden kunnen loslaten,
elkaar en onszelf kunnen vrijspreken.
Soms
hebben we een hand nodig om onze beelden los te kunnen laten en soms
zullen we een hand uitsteken om de ander in de boot te helpen.
Losgemaakt, stil gemaakt, tot nieuw zicht op God en gemeenschap
gekomen, om opnieuw te kunnen zeggen “Waarlijk jij bent een kind van
God”, opnieuw te kunnen belijden: “Waar twee of meer in mijn naam
aanwezig zijn daar is Hij in ons midden
|