Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 14, 22 - 33
Door Nel van Cuijk, gehouden op 7 augustus 2005

 

Jezus loopt over water; Hij verliest de moed niet

 

Vorige week al hoorden we hoe Jezus zich terug wilde trekken om te bidden. Toen lukte het niet want er was een grote groep mensen die hem volgde, achtervolgde ook , omdat ze moe en ziek en hopeloos waren en achter hem aangingen om genezen te worden. En Jezus kreeg medelijden en hij genas ze. En dat niet alleen, hij gaf ze ook nog allemaal te eten.

Nu is Jezus echter zeer resoluut, hij bonjourt zijn leerlingen de boot in en de menigte laat hij voor wat ze is. Hij wil alleen zijn om te bidden. Want, zo hebben we daarvoor al vernomen, Jezus beseft dat zijn leven en misschien ook het leven van zijn leerlingen gevaar loopt. Johannes is vermoord en de gesprekken met de geestelijke leiders van zijn dagen lopen steeds stroever, de discussie verhardt zich. Zowel in politiek als in religieus/kerkelijk opzicht staat Jezus alleen. Behalve dan het gewone volk, de zieken en de anderen die niet zo in tel zijn in deze wereld, die laten hem niet alleen.

 

Zou God hem ook alleen laten? Is dat het wat Jezus zoekt in zijn gebed? Hoe verder nu met zijn boodschap van een koninkrijk van God waar de politici en de geestelijke leiders van zijn dagen blijkbaar geen boodschap aan hebben?

Wij horen echter niets over de inhoud van het gebed van Jezus. We horen alleen dat hij tot diep in de nacht aan het bidden is en tegen de ochtend, in de vierde nachtwake gaat hij weer naar zijn leerlingen lopend over de zee.

 

We krijgen van Matteüs niets te horen over de inhoud van zijn gebed, we krijgen beelden te zien. Geven die beelden ons iets prijs over het gebed, en over wat het gebed bewerkt in Jezus?

Allereerst richt de camera zich op Jezus. Want we dan zien, is het beeld van de zee en Jezus die daar overheen wandelt. Het beeld van de zee is vanouds het beeld van de onderwereld, het beeld van de on-wereld, de niet-wereld, de wereld die geen boodschap heeft aan dat rijk van God. Jezus loopt er overheen, over die luidruchtige wereld die altijd in de schijnwerpers staat, het deert Jezus niet, die wereld van Herodes en de gevestigde orde van hoe religie moet zijn, Jezus loopt erover heen.

Zoals eens Mozes met zijn volk de Rode Zee doorkruiste, zo is Gods boodschap van bevrijding en vrede, van menswaardigheid en gerechtigheid door geen zee tegen te houden. De wereld, de stormachtige wereld en de stormachtige politieke en religieuze sfeer kan hem geen angst aanjagen.

Zijn gebed, lijkt Matteüs ons te zeggen, heeft Jezus gesterkt, bevestigd. En de moed niet verliezen als alles tegen zit lijkt mij een even groot wonder als over water lopen, ja de moed niet verliezen: is dat niet over water lopen!!

En zijn gebed voert hem terug naar zijn leerlingen.

 

Nu krijgen we een ander beeld te zien. De camera richt zich nu op de leerlingen. Op de mensen in de boot. Dat zijn natuurlijk in eerste instantie die twaalf van toen, dat is in tweede instantie de gemeente van Matteüs en dat zijn uiteindelijk ook wij, de christenen van deze tijd.

Zij, wij, zitten in de boot en het zit ons tegen; ze, we, komen geen meter vooruit met al ons geploeter. En het leven krijgt spookachtige dimensies, verwarring, verbijstering, spoken zien ze, spoken zien wij. En hoe zien onze spoken er uit. Vast zitten in een verleden, liever hartstikke eenzaam in onze veel geprezen onafhankelijkheid dan zoeken naar gemeenschap, dan onze kwetsbaarheid laten zien; liever vast blijven houden aan onze individuele praktijken en voorrechten, aan geld en goed, want dat is te verkiezen boven delen en breken. In die verwarring, in die spookbeelden spreekt Jezus: kalmeer, stop die paniek, wees niet bang ik ben er. ‘Ik ben er’, de onuitsprekelijke godsnaam, die niet anders vertaald kan worden dan met ‘ik ben er, ik zal er zijn’. Wees niet bang, ik ben het: midden in de angst en de verwarring is Jezus daar, wiens naam betekent ‘hij die redt’. Hij zegt: ik ben er, met jou met jullie, wees niet bang.

 

En dan richt de camera zich op Petrus, Petrus als het prototype van de leerling. “Heer, als u het bent”, want wie is hij toch, is hij misschien toch dat spook? ‘Heer, als u het bent, als jij het bent, die Godsgezant, laat mij dan over de wateren naar u toekomen’. “Kom”, zegt Jezus.

En Petrus gaat, wandelend over het water, wandelend over de bedreigingen, zijn ogen gericht op Jezus. Maar als hij naar de wind kijkt, als hij zijn ogen van Jezus afslaat, als hij aan zichzelf overgeleverd is, dan slaat de angst weer toe en dan dreigt hij te zinken, want zijn geloof – en ons geloof – is meestal ontoereikend; de machten en de krachten die mensen altijd weer bespelen, krijgen de overhand, en dan verdrinken we letterlijk en of figuurlijk. Petrus schreeuwt uit: “Heer red mij”.

Dan is er die hand die uitgestoken wordt.

Hij wordt uit het water getrokken, hij wordt in de boot gezet, het schip van de gemeente, de gemeenschap die onze kleingelovigheid wil dragen.

De wind gaat liggen en in de stilte die dan ontstaat – als de storm, de aardbevingen, de vuren uitgeraasd zijn, horen we bij Elia – dan ziet hij hoe God aan het werk is en dan zien de mensen in de boot ‘jij bent werkelijk een mens van God’.