Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 14, 13 - 21
Door Niek Werkhoven, gehouden op 31 juli 2005

 

‘Gemeenschap’: parabel voor Gods rijk

 

Drie zondagen hoorden we parabels over het ‘Rijk der hemelen’, over de aanwezigheid van God in de geschiedenis die wij mensen schrijven. Vandaag een vervolg, geen gelijkenis meer, maar een gebeuren, een concretisering zou je kunnen zeggen. Een bekend verhaal over die vijf broden en twee vissen, maar die zijn op zich nog niet de verborgen schat of kostbare parel: niet van brood alleen leeft de mens.

 

De inleidende zinnen zeggen al veel: Jezus die uitwijkt naar een eenzame plek, heel alleen. Ook Jezus heeft het, als ieder mens, nodig aanvaard te worden, aanvaard met heel zijn doen en laten. En dat, ja dat was en is niet zo vanzelfsprekend. Hij openbaarde, dat wil zeggen, legde de weg naar waarheid en leven open en bloot. En die waarheid… noch de orthodoxie van de Farizeeën, noch de machtswellust van Herodes wilde daar aan. Er is geen ruimte voor Hem als mensen vasthouden, vast blijven zitten in wat ze hebben of zijn. Matteüs ziet Jezus dan ook steeds verder wegtrekken: van Jeruzalem en Judea naar Galilea en vandaar nu naar de eenzaamheid van de woestijn. De kans om de verborgen schat te vinden lijkt voorbij te gaan.

Maar de mensen – de gewone mensen uit de steden – gaan Hem achterna; mensen die geen vrede hebben met het bestaan zoals het is. Dat optreden van Jezus heeft in hen de hoop gewekt dat het anders kan; dat men niet meer gebukt hoeft te gaan onder onmacht, schuld, miskleunen en niet beter weten waardoor er geen perspectief meer is. En Jezus heelt, geneest, maakt weer gezond, geeft weer kracht.

Als we met wat creatieve verbeelding en realiteitszin naar deze eerste zinnen luisteren, zouden ze ons al veel kunnen vertellen. Maar het wordt ons wat makkelijker gemaakt door de dialoog van de leerlingen die plotseling op het toneel verschijnen.

 

Zijn leerlingen, waarvan gezegd werd dat het hun gegeven is de mysteries van het Rijk der hemelen te kennen. Ja zeker, maar dat zullen ze dan wel moeten leren; vertrouwen komt een mens immers niet aangewaaid, het moet geleerd worden.

Ook deze leerlingen blijken “zeer te doen te hebben” met de massa mensen: straks zal de vreugde rond het ‘genezen’ getemperd raken omdat ze honger hebben en wat dan? “Stuur ze weg zodat ze voor zichzelf kunnen zorgen”. Nuchter en realistisch als er niets voorhanden is.

 

“Zij hebben het niet nodig weg te gaan, geven jullie hun te eten”. Wat een antwoord!

“Grapje”, zouden we kunnen zeggen, want vijf broden en twee vissen, dat is toch niks voor zoveel mensen. Ja, dat is een feit, daar helpt geen lieve moederen aan. Maar het blijkt niet zo belangrijk wat deze leerlingen hebben of niet hebben. “Breng ze hier bij Mij…”

En dan horen we hoe Jezus bidt, zegent en dat brood weer geeft aan zijn leerlingen die dan de hele massa mensen kunnen verzadigen.

 

Een wonder? Het lijkt me dat het niet op de eerste plaats daarover gaat. Als we het geloof, het vertrouwen op Gods macht afhankelijk maken van het opschorten van natuurwetten, zijn we wel heel erg naïef bezig. Wat Jezus laat zien is dat hij de gastheer is, de mensen bijeen brengt en houdt, ieder het zijne geeft. Zelfs in de eenzaamheid, met zo goed als niets, zórgt Hij, geeft Hij, sluit Hij niemand uit. Zo is Hij als God, parabel van God.

Met iedereen samen eten en drinken, keer op keer horen we in het evangelie Jezus dat doen. Iedereen aanvaarden, en daarmee de kans geven te worden zoals Hij: helemaal zichzelf, helemaal één zijn met zijn bestemming. Dat maakt vrij, dat opent naar een eenheid waar de een niet over de ander heerst.

Zo blijkt God te zijn, zo is zijn wil.

Dat ‘leren’ zijn leerlingen tot in het laatste avondmaal, waarin Jezus dan voorgaat om alles, want zichzelf, af te geven in een vertrouwen op een God die leven geeft, onbegrijpelijk. Zijn Rijk is dan ook niet van deze wereld.

 

‘Gemeenschap’, als parabel van die verborgen schat. We worden ook nu weer uitgenodigd om dat wat we hebben en niet hebben, wat we kunnen en niet kunnen, aan Hem te geven om van Hem uit te kunnen ontvangen en de weg te kunnen gaan van eenheid. Een eenheid en verbondenheid die zal ontstaan al zullen we onze beelden, onze verwachtingen voortdurend moeten bijstellen. Volwassen worden, leerling zijn, is blijven leren, blijven groeien.

 

Zijn zegen en breken mogen ons gegeven worden.