|
Preken: Matteüs
10, 37 - 42
Door Leonie van Straaten, gehouden op 26 juni 2005
Jezus houdt ons met zijn leven voor: je kunt nee zeggen – je moet ja
zeggen!
Deze
aaneenschakeling van uitspraken maken het ons vandaag niet
gemakkelijk om te luisteren. Misschien bent u al bij de eerste regel
afgehaakt, en dat kan ik niemand kwalijk nemen. Jezus’ woorden over
liefhebben zijn verwarrend en als je er dan toch voor kiest hem te
volgen, moet je je kruis op je nemen en zul je je leven verliezen.
Noem deze radicaliteit maar eens een aantrekkelijk leven.
Maar
anderzijds vermoed ik dat het voor velen van ons bekende woorden
zijn, waar wij ook weet van hebben. Want wij weten dat het
consequenties heeft als je Jezus volgt en een zending, een missie op
je neemt. Wij kennen de ervaring dat dit om prioriteiten vraagt, om
concrete veranderingen en dat dit leven je dus wat kost.
Dit
maakt het des te moeilijker om zo te luisteren, dat deze woorden ons
ook vandaag inspireren. Daarom wil ik proberen om er wat dichter bij
te komen.
Dit evangelie is het slot van de zendingsrede.
Daarbij denk ik aan een uitspraak van de filosoof Emmanuel Levinas:
“Ik moet ja zeggen – ik kan nee zeggen”
Oog in oog met Jezus én met onze wereld wordt er
een appèl op mij, op ons gedaan. Jezus roept zijn leerlingen in de
zendingsrede bij hun naam. Het zijn geen volmaakte mensen.
Gezamenlijk krijgen ze een opdracht, die Jezus voor zichzelf
verstaan heeft, vanuit zijn bewogenheid om mensen die verloren
lopen, om een wereld die God noch gebod meer lijkt te kennen. Dat
Jezus hen roept en zendt geeft blijk van een groot vertrouwen, maar
het laat ook iets zien van zijn afhankelijkheid van mensen: als zij
het niet op zich nemen - en dus ook: als wij het niet doen - dan
gebeurt het niet!
Jezus
zendt zijn leerlingen en zo worden zij betrokken in deze
bewogenheid. Oog in oog met Jezus en met zijn missie, bij de naam
geroepen, moeten ze wel ja zeggen, terwijl zij vrije mensen zijn.
Maar
is niet juist de mens die werkelijk vrij is in staat ja te zeggen op
deze roeping en zending? Dit is misschien wat Jezus bedoelt met zijn
woorden over liefde; de mens die in zijn leven een roeping verstaat
om Jezus te volgen, moet vrij worden omwille van die roeping. Deze
vrijheid verwerft een mens niet zonder pijn en moeite. Jezelf
losmaken van je ouders, je kinderen loslaten op hun eigen weg,
geloven in hun bestemming, vraagt om vertrouwen dat we gedragen
worden door een grotere liefde. Het is een geheim in ieders
mensenleven dat ons eigen liefhebben overstijgt. Daarom noemen wij
Gods naam. En dit ontslaat ons niet van de onderlinge liefde,
integendeel!
Er
zijn twee kanten aan de zending: de ene kant is dat het je wat zal
kosten. En wie bepaalt hoeveel dit mag zijn? Ben ik werkelijk bereid
mijn ideeën en verwachtingen los te laten? Dat is wat ik in de
actualiteit versta onder verliezen. Het is een spanning om zo in het
leven te staan, in een samenleving die juist gericht is op winst, op
het maximaal haalbare, maakbare.
De
andere kant van de zending is de vraag of en hoe je ontvangen wordt.
Want het is zeker niet vanzelfsprekend dat je met een boodschap die
confronteert en oproept tot ‘anders leven’, met open armen wordt
ontvangen.
Er
blijft een risico dat je niet wordt verstaan. Dat je wordt
afgewezen, of in onze tijd, dat het de ander volledig onverschillig
laat dat je zo leeft.
Maar
er is ook een kans dat er wel een vonk overspringt, dat de boodschap
wordt herkend.
Zoals
in het lied dat we zongen.
In de ogen van de ander,
in haar doen en daad
spiegelt zich het beeld van God,
naar Wie wij zijn gemaakt.
God
komt aanwezig in concrete mensen. Jezus zegt immers: Wie jullie
ontvangt, ontvangt mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij
gezonden heeft. Door dit evangelie komt de vraag op ons af hoe wij
deze beweging in onze tijd mogelijk maken.
Onze
inzet als christenen is het evangelie concreet maken in het
dagelijks leven, daarin zijn we aangewezen op elkaar en op anderen.
In iedere ontmoeting ligt de kans op herkenning. In de herkenning
worden sporen van God zichtbaar op de plaatsen waar wij zijn, waar
we werken en wonen.
En
dan die beloning. Het is een beloning als we zien dat ons leven goed
is en betekenis heeft.
Dit
wordt prachtig geïllustreerd in het verhaal van Elisa: de profeet
die wordt ontvangen, wordt herkend als een man Gods, door een vrouw
van aanzien. Zij had haar leven gevonden, in ieder geval materieel,
maar het was niet vruchtbaar geworden. Het loon dat zij ontvangt,
omdat zij de profeet ontvangt, is precies die vruchtbaarheid, het
ontbrekende, het niet maakbare.
Naast
de woorden uit de Schrift ontvangen we vandaag ook brood en wijn, om
ons te herinneren dat wij niet voor onszelf geboren zijn. Om te
danken voor Jezus, de mens die ons dit tot het uiterste heeft
voorgeleefd. Hij is het die ons met zijn leven voorhoudt: je kunt
nee zeggen, je moet ja zeggen.
|