Preken: Matteüs
9, 35 - 10, 8
Door Hinnêni Peltenburg, gehouden op zondag 15 juni 2008
Ja, mededogen voor ons: een volk dat aan de Heer is gewijd; jullie
zijn kostbaar in zijn ogen. Taak en opdracht voor velen die zonder
sturing zijn: een zoekplaats voor geloof en geloofsontmoeting zijn
De lezingen van
vandaag cirkelen rond de woorden: roeping en zending. De roeping en
zending van: Mozes, het volk Israël, Jezus van Nazareth, de twaalf
apostelen, de gemeenschap in zijn Naam. In de lezing uit het boek
Exodus kun je lezen wat er onderweg gebeurt: na de bevrijding uit
Egypte is er niet zomaar ineens een gemeenschap ontstaan, of een
volk gevormd. Nee, al gaande de weg… al gaande de omwegen en
doorstane crises dringt het besef door, dat wij een oorsprong
hebben; dat wij ergens vandaan komen, dat wij op adelaarsvleugels
worden gedragen… van de woestijn naar een oase en weer naar de
woestijn; van situatie naar situatie. Zo komt Israël aan bij de berg
van de Enige, de Sinaï van de verbondssluiting. Daar kun je tegen
opkijken als tegen een berg: dit engagement, dit concreet in
verbinding blijven, die opdracht om uniek te zijn tussen de andere
volkeren. Maar je kunt je er ook tegenover opstellen als in een
dialoog; je kunt in relatie proberen te komen, communicatie aangaan
en zeggen: “Hier ben ik, Heer, wat wilt u dat ik, dat wij zullen
doen? Zegt U het maar: hoe wilt u het hebben; hoe wilt U dat wij de
taken verdelen?” Ieder lid van die gemeenschap van trekkende,
onderweg zijnde mensen heeft niet dezelfde opdracht: Mozes houdt de
communicatie tussen de Enige en het volk gaande, Jezus weet dat hij
herder is: tot in zijn ingewanden bewogen omdat zij neerliggen
als schapen zonder herder; de apostelen, twaalf in getal,
ontvangen een specifieke zending: de blijde boodschap verkondigen en
de tekenen van de verrezen Heer voor de mensen verrichten. Wij staan
aan de voet van de berg. Huub Oosterhuis schreef een lied aan de
voet van de berg:
Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw verte reikt
geen woord kan jou aanbidden.
Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen. (…),
maar mensen die verminkt en klein
ontheemd, ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.
Ja, mededogen voor
ons: een volk dat aan de Heer is gewijd; jullie zijn kostbaar in
zijn ogen. Taak en opdracht voor velen die zonder sturing zijn; een
zoekplaats voor geloof en geloofsontmoeting. Niet jezelf verrijken
of profileren, maar voorgaan; belangeloos het goede dienen, in het
besef dat mijn handelen ertoe doet; niet de verantwoordelijkheid van
de ander overnemen. Een uitverkoren, priesterlijk volk zijn: het
gaat niet langer om de tegenstelling tussen on-machtigen en
al-machtigen, maar om een actieve en creatieve verantwoordelijkheid
van iedereen. Dit pijnlijke leerproces vindt het hele leven door
plaats. Erbij blijven en soms een richtinggevend woord spreken:
vrede aan dit huis…
Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden…
Ja,
het is urgent als de oogst moet worden binnengehaald; je kunt er
tegen opzien als tegen een berg, maar de oogst kun je niet
uitstellen. De arbeiders voor die oogst worden met namen genoemd.
Jezus is wel de Messias, maar met ons samen: wij zijn samen de
Messias.
Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid
en nog niet kan vergeten,
zouden wij
ik-en-niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten?
Wat
Jezus als zijn roeping zag is ook de taak die Hij voor zijn
leerlingen en voor ons ziet weggelegd.
Jij bent ook één van de twaalf.
Je taal, je hartslag verraadt je.
|