|
|
Preken: Matteüs
9, 9 - 13
Door Irene Suasso
Zondaars en rechtvaardigen
Matheus vertelt
ons het verhaal van zijn eigen roeping. Een centraal thema in dit
verhaal is het verschil tussen zondaars en rechtvaardigen. Waarom
vertelt Matheus dit verhaal? Waarom dit thema? Welke boodschap heeft
hij voor ons, die vandaag Jezus willen volgen, gemeenschap willen
vormen in zijn naam?
Afgelopen zondag hoorden wij dat als wij Jezus werkelijk willen
volgen, het belangrijk is dat wij durven loslaten en van binnenuit
‘ja’ kunnen zeggen. Zonder dat innerlijk ‘ja’ blijf je omkijken naar
dat wat je achter je moet laten, of is dat ‘volgen ’niet meer dan
slaafse volgzaamheid, uiterlijke vroomheid.
Matheus aarzelt
niet, laat zijn tolhuis, zijn leven tot nu toe achter. Een leven dat
werd getekend door uitbuiting van anderen en uitsluiting door
anderen. Hij gaat met Jezus mee.
Jezus nodigt hem en andere zondaars en tollenaars uit om samen met
hem en zijn leerlingen te eten, om tafelgemeenschap te vormen.
Daarbij waren ook een aantal farizeeërs aanwezig. Waarom waren die
farizeeërs daar? Als spionnen van de machthebbers, er op uit om
Jezus op een fout te betrappen? Of waren zij ook volgelingen?
Als zij laten merken dat ze niet begrijpen waarom Jezus met zondaars
eet stuurt hij hen weg uit deze gemeenschap. Niet omdat hij boos op
ze is, ze stelden tenslotte alleen maar een vraag. Maar omdat ze nog
iets te leren hebben. Blijkbaar moeten ze nog iets loslaten
Wij denken bij het
woord ‘zondaar’ al snel aan slechte mensen, misdadigers, mensen die
er maar op los leven. Maar de betekenis van het woord ‘zondaar’ is
eigenlijk: iemand die zijn doel mist. Iemand die het maar niet lukt
het leven te leven dat eigenlijk voor hem bedoeld is. Iemand die
zijn leven geen zin kan geven. Geen greep op zijn leven krijgt.
‘Zondig zijn’ stigmatiseert bovendien, zondaars worden door iedereen
met de nek aangekeken. Dit maakt het extra moeilijk je leven weer op
te pakken.
Daarom vergelijkt Jezus de zondaar ook met een zieke, iemand die de
zorg en barmhartigheid nodig heeft van een ‘dokter’, van iemand die
hem het gevoel geeft dat hij de moeite waard is en helpt weer zin in
zijn leven te vinden.
De farizeeërs
vinden dat een rechtschapen gelovige niet om moet gaan met zondaars.
Waar je mee omgaat daar word je mee besmet, zo hebben zij geleerd.
En ik betrap mezelf erop dat ik vaak ook zo denk. Jezus vraagt hen
echter hun oude visie op zonde en rechtschapenheid, op wie erbij
hoort en wie niet, los te laten. Door hen te laten nadenken over een
citaat van de profeet Hosea, die God laat zeggen: “Want
barhartigheid wil ik en geen offer, en liever dan brandoffers wil ik
kennis van God”. Door de zondaars links te laten liggen worden ze
door de Farizeeën opgeofferd aan hun eigen behoefte om hun image van
vroomheid en rechtschapenheid in stand te houden, om bij God en de
mensen in een goed blaadje te komen. Jezus laat zien dat zij
hierdoor eigenlijk ook hun ‘doel missen’.
Volgens Hosea en volgens Jezus zit God niet te wachten op uiterlijk
vertoon van vroomheid. Wie werkelijk rechtvaardig is, wie werkelijk
kennis heeft van God, sluit niet uit, maar ziet om naar
verschoppelingen en is barmhartig zoals God barmhartig is.
Gelukkig zijn er
in onze tijd mensen die deze boodschap van Jezus, die via Matheus
aan ons is overgeleverd, letterlijk ter harte nemen. Ik denk daarbij
aan dominee Visser in Rotterdam en het drugspastoraat in Amsterdam
die zich inzetten voor drugsverslaafden, mensen die leven aan de
rand van de samenleving. Niet eens zozeer om ze op het rechte pad te
brengen, maar vooral om ze te laten ervaren dat ze de moeite waard
zijn als mens.
Ikzelf voel me door dit verhaal uitgenodigd om ruimhartig ‘ja’ te
zeggen op een ieder die zijn naam heeft gezet in het boek dat
achteraan in de kapel lag, en om daarbij mijn beeld van ‘wie erbij
hoort en wie niet’, een soort meetlat waar ik anderen, maar ook
mijzelf regelmatig langs leg, los te laten. Om zo opnieuw
gemeenschap te kunnen vormen in zijn naam.
|