Preken: Matteüs
7, 21 - 27
Door Niek Werkhoven, gehouden op 1 juni 2008
Wie mijn woorden… geen WET maar WEG
Het slotakkoord van de Bergrede. En de reactie
daarop: geestdrift die zijn woorden, heel die bergrede bij de
menigte teweeg brengt. Geestdrift omdat ze te maken hadden met een
gezag dat ze nog nooit ervaren hadden.
Dat
is nogal wat! Behoort het tot het ‘onmogelijke mogelijk te laten
worden’ om naar deze geestdrift verlangen? Zou dit gezag, Jezus’
gezag, ook vandaag aansprekend, bevragend en bemoedigend kunnen
doorkomen?
Verwacht van mij niet het antwoord op deze vragen. Maar misschien is
ook in dit geval de vraag belangrijker dan het antwoord. Want, is
het niet zo dat, als de heilige Geest aan ons trekt, we niet zo goed
meer weten waar hij ons naar toe brengt.
De bergrede is een samenvatting van Jezus’
Toraonderricht, invulling en concretisering van de ‘wil van de Vader
in de hemel’. En dit slotakkoord is dan ook geen geruststellend ‘het
komt wel goed’. Maar wel de vrijmakende verzuchting ‘als dat eens
waar wordt’. Een verzuchting die tegelijk de aanzet is zich daarvoor
in te zetten.
Tora,
zo leerde ik, is niet de Wet, maar de Weg. En een weg heeft alleen
betekenis als men van de ene plek naar de andere gaat.
Over
dit gaan en doen lijkt me Jezus te spreken in de eerste zinnen. Niet
ieder die zegt: “Heer, Heer…”. Niet ieder is gelukkig niet hetzelfde
als niemand, maar het is wel indringend want ‘velen’, zo horen we,
komen bedrogen uit.
Waardoor? Waarom komt over ‘velen’ het harde antwoord “Ik ken jullie
niet, ga weg van mij, verachters van de wet”?
Waarom deze harde veroordeling, terwijl in het begin van dit
hoofdstuk door Jezus gezegd wordt: oordeel niet en je zult niet
geoordeeld worden!
Jezus in tegenspraak met zijn eigen leer?
Wat
zou er toch mis kunnen zijn in dat profeteren, demonen uitdrijven en
machtige dingen doen? En dat nota bene ‘in uw naam’?
Wat
is er mis mee, waar kan het aan liggen dat er wel vroom een beroep
gedaan wordt op de Heer, maar toch de Wet aan de laars wordt gelapt?
Een woord van Ouaknin wees me een richting naar
een antwoord. “God heeft de wereld geschapen om erop te wonen. Hij
heeft de Wet gegeven om er met elkaar te kunnen wonen”.
We
kennen de profeten van onze tijd die welvaart en geluk beloven in
het alsmaar meer hebben. We zien ‘machtige werken’ die de oplossing
moeten geven aan de knelpunten van het leven.
En
toch een verachten van de Wet.
Want
‘de wil van mijn Vader’ is volgens het evangelie: het niet verloren
laten gaan van een van de kleinen: vreemdelingen weduwen en wezen in
wat voor gedaante die tegenwoordig verschijnen. Daar gaat de Wet
over. De oproep om de weg te gaan uit zelfgenoegzaamheid, uit het ik
eerst, uit… ja noem maar op.
En
dan staan we op zo’n klein, zo onbeduidend plekje in deze wereld.
Wat kunnen we ermee?
Wie mijn woorden hoort en doet… We hoeven
geen grote wereldverbeteraars te worden. Wat we moeten is zijn
woorden laten binnenkomen. Zijn woorden die lang niet altijd passen
op wat het ik denkt, voelt, zo graag wil. Want wie is het toch die
zoiets kan zeggen als mijn woorden horen en doen?
De
evangelist heeft het verteld. Voor Jezus rond ging trekken om rond
te bazuinen dat Gods macht dichtbij was, doorstond hij de
beproevingen in de woestijn. Die vuurproef of het onmiddellijke hier
en nu, de aanlokkelijkheid van aanzien en macht, het laatste woord
hebben in het concrete doen.
Zo’n
iemand heeft weet van het woord dat van de andere kant komt, het
woord van de Ander dat een mens die het hoort en doet, verandert.
Dat woord dat je niet kunt bedenken, niet kunt berekenen, dat niet
uit je binnenste opwelt. Zo’n woord als ‘kom, volg mij’, of ‘ga en
verkoop wat je bezit’. Evangelie kan een ‘gevaarlijke boodschap’
zijn!
Jezus wist en kende de Rots waar zijn huis, die plek van veiligheid,
dat huis, wat ook familie, gezin, huisgenoten kan betekenen. En dat
kennen leverde hem tenslotte geen succes en glorie, hij is niet
rustig in zijn bed gestorven. Maar toch Hij leeft, heeft het leven
behouden! Paradox van Gods nabijheid: afwezigheid en toch aanwezig,
daadwerkelijk nabij!
“Als
wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker…”
Dan mogen we vertrouwen aangesproken te worden
door zijn gezag, dan mogen we vertrouwen dat zijn Geest ons tot die
creativiteit brengt om gemeenschap in zijn naam uit te vinden; dan
mogen we vertrouwen dat het doen ons aangezegd wordt en ons
over onze mitsen en maren heen tilt.
Dat deze verstandigheid van heilige Geest onze
‘geestdrift’ ontsteke in de dagen die komen gaan.
|