Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 5, 1 - 12

Door Niek Werkhoven, gehouden op 3 februari 2008

 

Misschien hebben we het ons te eenvoudig voorgesteld…

 

Een evangelie zou als een paukenslag moeten klinken om hart en ziel te openen voor het goede nieuws. Maar voor velen onder ons zal het wat versleten zijn tot een “oh ja daar heb je het weer” een soort herkenningsmelodie, het vonkt niet meer omdat de spanning er afgehaald is.

Kunnen we dit “gelukkig” wel serieus nemen?

Is “deze wereld omgekeerd”, zoals Oosterhuis dat zei, wel iets wat ik echt wil, echt geloof, niet alleen dus op zondag in de kerk, maar op maandag en die andere doordeweekse dagen? Wil ik werkelijk wel mijn streven naar een goed en gelukkig leven en mijn beelden daarvan aan deze woorden ijken?

Of moeten we dit soort vragen niet eens stellen, want zijn het wel de goede vragen? Als we ons nuchter verstand of onze emoties niet even laten rusten, lopen we het risico van deze woorden een koude, starre ideologie te maken. En dat is zeker geen blijde, bemoedigende boodschap!

 

Toen ik van de week zo rondliep met dit evangelie stootte ik toevallig op een paar regels van Dorothee Sölle. Zij schreef:

“Misschien hebben wij het ons te eenvoudig voorgesteld

toen we destijds vertrokken
voor een lange tocht door de woestijn,
om betere methoden te vinden voor het leven met elkaar.”

 

Daar gaat dit evangelie over: misschien hebben we het ons te eenvoudig voorgesteld…

Voor mezelf vertaalde ik de eerste zin, die begint met “ziende” niet met het vlakke “toen”, maar met “omdat”. “Omdat Jezus de menigte zag …” Het haalt Jezus’ optreden uit de tijd van ‘toen’ en brengt zijn bewogenheid aan het licht. Een bewogenheid die ook vandaag de dag geldt, anders zitten we hier voor niets.

Omdat hij mensen ziet, omdat hij ziet wat er is en hoe mensen zijn, omdat hij ook ziet wat zij kunnen zijn, gaat hij de berg op… Wie een beetje thuis is in de bijbel hoort hoe Matteüs hier een gewaagde zin schrijft. Dertig, veertig, jaar na dato, maakt hij van Jezus een nieuwe Mozes die woorden van God spreekt! Van een Jezus, die uit de weg geruimd is als een staatsgevaarlijke en religieuze dissident.

Toch dat leven, met dat levenseinde, als goed nieuws, zo paradoxaal als het is. Want daarin heeft God zich betuigd als de Levende, als leven gevende.

Ja, het gaat om God, om godsvertrouwen wat we ons misschien te eenvoudig voorstellen.

 

Wie mag het wagen tegen armen, tegen mensen die de dupe zijn van onrecht, die overspoeld worden door verdriet, wie kan en mag dan zeggen: gelukkig ben je? Dat is immers niet te verteren. Maar Jezus preekt hier geen apathische berusting net zo min als hij armoede en onrecht verheerlijkt, laat staan dat als een soort gebod poneert.

Het evangelie herinnert ons niet aan een goeroe in goede doen, maar aan iemand die de bekoringen in de woestijn doorstond.

Want willen we dit aanzeggen van geluk recht doen, dan moeten we het verhaal van Jezus’ beproevingen in de woestijn voor de geest hebben. Daar heeft hij de zuigkracht van die duivelse verleidingen van onmiddellijke bevrediging, van macht en aanzien doorstaan. En niet eens en voorgoed, want dat ging zijn leven door tot aan het eind. Er spreekt iemand die weet heeft van God, de totaal Andere die met God leefde zoals God met hem.

Ja, het is een uitdagende, gewaagde paradox: tegen armen en gedwarsboomde, monddood gemaakte mensen te roepen: het koningschap van God, God met zijn onaantastbare macht is, (in de tegenwoordige tijd), bij, van jullie!

Wat is dat voor een geluk? Waar is zo’n geluk te zien?

En dan treft me dat Matteüs in die eerst zin zegt dat zijn leerlingen naar Jezus toekomen, en dat hij tegen hen spreekt. Niet zo maar tegen de menigte. Tegen zijn leerlingen.

Zouden we dat woord ‘leerlingen’ hier niet het volle pond moeten geven: mannen en vrouwen (Jezus had immers volgens de evangelisten verschillende kringen leerlingen) die iets zochten, iets méér dan mooie woorden, meer dan genezing: een nieuw een ander bestaan. En dat hoorden ze, dat zagen ze klaarblijkelijk in deze rabbi uit Nazaret. Deze rabbi die de oude vertrouwde woorden en daden van de profeten weer ‘waar’ maakte. En daarvan wilden zij leren om meer te zien dan met ogen alleen waar te nemen is.

Een profeet als Mozes, veertig jaar door die “verschrikkelijke woestijn, door dat dorstige land zonder water”, in vertrouwen op het beloofde land. Een profeet als Jesaja, Jeremia met hun oproep om met andere ogen te kijken naar politiek en maatschappelijk leven, om geen veiligheid te zoeken in gekonkel of geweld.

Profeten die de kern van bijbel en traditie hooghielden: kies voor leven en niet voor schijn, voor dood. Dat willen horen en er zo naar luisteren dat de situatie van het hier en nu de uitdagende, kale woestijn is, de realiteit die niet ontvlucht wordt in afleidingen of door oplossingen.

Besef je armoede in het mens zijn dat is als man en vrouw, als broeders en zusters, als gemeenschap van echte relaties met elkaar, zodat er geen tegenstellingen meer zijn tussen mijn en dijn. Dáár, in die armoede begint het Rijk van God. Dat kan tenminste.

Maar misschien hebben ons dat te eenvoudig voorgesteld…

Nog maar weinigen, hoorde ik iemand zegen, horen dat God iets van hen vraagt. Voor velen heeft christelijk geloof alleen betekenis in het beleven van liefde. We menen dat beter te verstaan in wat we zelf doen dan in wat anderen ons verkondigen. Maar hoe solide is dat?

 

Misschien hebben we het ons te eenvoudig voor gesteld
tijdens die veertig jaar ups en downs,
om betere methoden te vinden voor het leven met elkaar.

 

En daarmee gaan we dan de veertig dagen tijd in. Dagen om als zijn leerlingen de spanning onder ogen te zien van reeds aanwezig en het nog niet. Dagen om God te zoeken die aanwezig is in de schijnbare afwezigheid die we dagelijks horen en zien. Dagen om te leren de prachtige “gedroogde bloemen van bijbel en traditie” om een beeld van Renckens te gebruiken, met de adem van onze existentie kleur te geven.

Moge Gods Geest ons sterken.