|
|
Preken: Matteüs
4, 12 - 23
Door Tineke Renkema, gehouden op 23 januari 2005
Geroepen om een
woord te dragen
“Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangen genomen
was, week hij uit naar Galilea.” Dat roept meteen een soort
beklemming op. Johannes werd nog met rust gelaten zolang hij in de
woestijn zijn woorden sprak. Maar toen hij daadwerkelijk en
persoonlijk onrecht aan de kaak stelde, en zelfs Herodes niet met
rust liet, toen kostte hem dat zijn leven. Zo risicovol is het om te
staan voor het goede.
Met dit voor ogen wijkt Jezus uit naar het
grensgebied, verder verwijderd van Juda, van Jeruzalem, van dat wat
als centrum van het religieuze leven wordt beschouwd. Het centrum
van religieus leven waar je toch zou verwachten dat de
heilsboodschap gehoor zou vinden.
Of juist niet? Is het niet herkenbaar, dat als wij ons in gunstige
omstandigheden bevinden, als wij ons meer nestelen in religieuze
zekerheden, dat wij vragen die onrust oproepen, die onzeker maken,
uit de weg gaan? En vaak is het zo dat het zeker iemand niet in dank
wordt afgenomen als er niet alleen vragen worden gesteld, maar ook
aanspraken worden gemaakt. ‘Waar bemoei je je mee?’ is dan een niet
ongewone al dan niet uitgesproken reactie.
Jezus wijkt uit naar Galilea, dat gebied waar een
mengelmoes woont van heidenen en joden, een smeltkroes van culturen
en talen. Dat land waar mensen het moeilijk hebben en tasten in het
duister. Daar leven de vragen wel en zijn er geen vanzelfsprekende
antwoorden. Daar zou de boodschap gehoor kunnen vinden.
Jezus wijkt uit naar dit Galilea. Hij wijkt uit,
maar wijkt niet voor zijn opdracht, hoe risicovol die ook is.
Integendeel wij horen dat hij de woorden van Johannes op zich neemt:
“Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is ophanden.”
Wat doet Jezus dat zeggen? Het koninkrijk is
immers alles behalve zichtbaar in deze beklemmende situatie? Hoe kan
hij dan verkondigen dat het koninkrijk ophanden is? Ik had hier maar
één gedachte over: Jezus kan dat verkondigen omdat hijzelf in
verbinding leeft met dat koninkrijk van de hemel. De hemel scheurde
toch open en er klonk toch een stem. Die stem zal hij trouw blijven,
dat woord zal hij dragen, wat er ook gebeurt. Het koninkrijk is
in hemzelf en dat maakt dat hij kan zeggen: Het koninkrijk is
ophanden. Wat in Hem is kan ook in ons
worden. Dat is de boodschap.
Hoe hij dat gestalte geeft?
Matteüs vat het samen in een 3-slag: onderricht, verkondiging van de
goede boodschap van het koninkrijk en genezen, heel maken. In het
evangelie van Matteüs zullen we Jezus dan ook enerzijds uitgebreid
onderricht horen geven. Anderzijds horen we over mensen die ziek en
in zichzelf verdeeld zijn en hoe deze heel worden. Maar het
wonderlijke is, dat over het Koninkrijk niets wordt gezegd. Er wordt
niets over uitgelegd.
Wonderlijk, want daar gaat het toch om, om dat Koninkrijk, dat niet
van deze wereld is, maar van de hemel? Dat is ook niet uit te
leggen, maar misschien is het wel zo dat het koninkrijk daar is,
daar zal zijn waar mensen wat zij onderrichten ook doen: door te
genezen en heel te maken.
Een drieslag dus: Waar onderricht en handelen bij elkaar komt, daar
opent zich het koninkrijk.
Dit laat Jezus zien en zo doet hij een appel op
mensen, daartoe roept hij zijn leerlingen en zo roept hij ook ons.
Hij roept zijn leerlingen in hun dagelijks bestaan. We zien hen
terstond antwoord geven. Een onmiddellijkheid die laat vermoeden dat
zij niet afgesloten waren geraakt door gestolde religiositeit.
Mensen leeg genoeg, stil genoeg om in Jezus een levend antwoord te
zien op hun nood en hun verlangen. Ik stel me voor dat Jezus, zo
gezagvol, zo aantrekkelijk was, juist vanwege het feit dat wat hij
onderricht, samengaat met wat hij doet, onverdeeld. Dat maakt
verlangen wakker zo ook te willen leven. Ze gaan met hem op weg om
dan met veel angst en veel liefde het kwaad te leren weerstaan.
Wat versta ik nu?
Om te beginnen moet ik erkennen, dat ik misschien al te vaak
afgesloten ben en genoegen neem met gestolde religiositeit. Dan hoor
ik: Bekeer je. Wend je toe naar mensen van wie een roep uitgaat.
Naar mensen, die mij laten zien dat ze een woord in zich dragen en
dat woord ook doen.
Dat is waarop ik hoop en waarin ik geloof.
Maar als ik dat zeg, mag dan die mens die iets
laat zien, hoe gebrekkig ook, van onverdeeldheid, mij dan ook
aanspreken? Mag hij of zij mij dan ook een vraag stellen, bevragen,
roepen?
Ik heb mij afgevraagd: Laten wij elkaar misschien teveel met rust?
Maar eigenlijk wil ik dat niet, met rust gelaten worden. Eigenlijk
wil ik me laten aanspreken en daarnaar leren luisteren. Eigenlijk
wil ik het wagen om zelf ook aan te spreken en het risico lopen dat
dat mij niet in dank wordt afgenomen. Me aan laten spreken en
zelf aanspreken. Ik wil de onrust die dat meebrengt leren
verdragen en leren zien als iets van die Heilige Geest, die
onruststoker.
Eigenlijk geloof ik in en hoop ik op een kerk,
een gemeenschap die een oefenplaats is, waar wij samen kunnen leren
ons eigen unieke woord te dragen en het te doen, elkaar hiertoe te
roepen en niet voor deze opdracht te wijken, wat er ook gebeurt.
Soms zie ik het even, een mens die verkondigt en ernaar handelt, die
op dat moment is wat hij zegt, die zich aan laat spreken en
aanspreekt. Daar ent ik mijn hoop en geloof op. Daar wordt het
koninkrijk, al is het maar even, zichtbaar, zoals Hij het ons heeft
voorgeleefd.
Laten we dat vieren, vandaag, hier en nu.
|