Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 17, 1 - 9
Door Nel van Cuijk, gehouden op 20 februari 2005

De piekervaring van de berg moet handen en voeten krijgen in het dal van lijden en dood

Op deze tweede zondag van de veertigdagentijd worden wij meegenomen in een intieme ontmoeting van de Heer met drie van zijn leerlingen. Het kan natuurlijk ook dat wij toeschouwers zijn en blijven van deze intieme ontmoeting.
De vraag is dan ook: blijven wij toeschouwer of laten we ons betrekken in de weg van Jezus en zijn leerlingen? Kunnen de teksten die ons vandaag aangeboden worden, ons meenemen op de weg van geloof, op weg naar Pasen?

Matteüs verbindt de lezing van vandaag, deze topervaring, piekervaring, met een gebeuren dat zes dagen geleden heeft plaatsgevonden. Het evangelie begint met ‘zes dagen later’. Zes dagen geleden heeft Jezus voor het eerst aan zijn leerlingen verteld dat het niet goed zal aflopen met hem. Hij heeft hun gezegd dat hij zal moeten lijden en ter dood gebracht zal worden en dat hij zal verrijzen. Dat was een intiem en bijzonder moment, want op de vraag ‘Wie zeggen jullie dat ik ben, wie ben ik voor jullie’ had Petrus gezegd: ‘Jij bent voor ons de zoon van God.’ En nu spreekt Jezus over dingen waar ze met hun verstand niet bij kunnen. Wat dat verrijzen betreft, dat horen ze nauwelijks, daar kunnen de leerlingen zich niets bij voorstellen. Misschien is dat bij ons wel hetzelfde. Petrus en de leerlingen hebben alleen het eerste gehoord, dat hij zal moeten lijden en sterven. Petrus is er dan ook als de kippen bij om te zeggen dat zo iets volstrekt onmogelijk is. God verhoedde dat Jezus zo iets overkomt. En misschien denkt Petrus ook nog wel: God verhoedde dat ons leerlingen zoiets overkomt. Ook dat is iets, denk ik, wat wij Petrus na kunnen zeggen: God verhoedde dat zoiets, lijden en sterven, ons overkomt. Jezus echter leeft niet met een God die iets verhoedt. Hij heeft Petrus in niet mis te verstane woorden te kennen gegeven dat hij met zijn Godsbeeld - van een God die het voor ons in orde maakt - Jezus danig in de weg loopt. Achter mij duivel heeft Jezus gezegd, je bent niet bedacht op wat God wil. Mensengedachten zijn het te denken dat God voor hen, voor ons in de bres springt.
Dit was de belangrijke les van zes dagen geleden en het is al heel wat als we vandaag kunnen leren, dat wij niet moeten leven met een God die iets verhoedt, met een God die iets voorkomt.

Nu zijn we zes dagen verder. Wat er in die zes dagen gebeurd is, weten we niet. Jezus is nu op weg met drie van zijn meest intieme leerlingen. Hij neemt hen mee de berg op. De berg is bij uitstek het terrein van de Godontmoeting. Als u ooit een berg beklommen hebt, weet u wat een verandering van perspectief dat met zich mee kan brengen. Hoe je op de top van de berg op de hoogste toren neer kunt kijken, de hoogste gebouwen van boven af kunt zien, hoe de grootste schreeuwers in kleine poppetjes veranderen. Hoe je te midden van de bergen jezelf als klein en nietig kunt ervaren, fragiel en kortstondig ten opzichte van die berg die er al eeuwen ligt.
Op die berg gaat alles er anders uitzien. De leerlingen zien Jezus oplichten, van gedaante veranderen. Ze zien een voorafspiegeling van wat hij ooit zal zijn voor hen. Een lichtend voorbeeld, stralend als de zon, glanzend als licht; een man in overeenstemming met de wet en de profeten. Mozes is daar immers en Elia, mannen van aanzien in de geloofstraditie van deze leerlingen. Mozes wiens gelaat straalde toen hij met de stenen tafelen van de berg afkwam. Mozes die een doek over zijn gezicht moest doen omdat de Israëlieten de glans van zijn gelaat niet konden verdragen. Bij Jezus straalt alles, hij straalt van top tot teen, zelfs zijn kleren stralen. En Elia die vurige profeet die in een wagen van vuur ten hemel werd gevaren, Elia die God hoorde in een ‘verpulverend zwijgen’, in een diepe stilte. Petrus kent de verhalen van Mozes en Elia. Hij weet dat dit een bijzonder moment is en hij is opgetogen want dit is het wat hij verwacht van het optrekken met Jezus. Als een droom is het, een visioen: laten we drie tenten bouwen want dit is een plek om te blijven.
En hij is nog niet uitgesproken of daar is de stem die zegt: ‘Dit is mijn geliefde zoon, een man naar mijn hart, luister naar hem’.

Dit zien en horen van de leerlingen, deze openbaring van Gods geest en liefde, het is te veel, het is niet te bevatten voor de leerlingen. Ze vallen op hun knieën, aangegrepen door angst, vrees. Wat ze hier en nu ervaren op die berg overstijgt alles, het is niet te grijpen, je kunt er geen tent omheen bouwen.
En Jezus doet hen opstaan; praat er niet over, zegt hij, laat het stil worden in je totdat je weet hebt van lijden en sterven en opstaan uit de doden. Laat het stil worden in je tot je weet dat Gods liefde er altijd is ook in lijden, in ziekte, in dood.
Laat het stil worden tot je weet dat macht, geweld en tirannie niet op de vlucht gaan voor Gods liefde. Dat God je voor niets behoedt en je toch mag weten dat je geliefd bent. Want Gods liefde is een kwetsbare menselijke liefde. Laat het stil worden in je tot het moment dat zich werkelijk openbaart wat je hier op deze berg gezien hebt.

De piekervaring van de berg moet handen en voeten krijgen in het dal van lijden en dood, daar doorheen kan het gebeuren dat Jezus ook voor ons een lichtend voorbeeld wordt.