|
|
Preken: Matteüs
2, 13 - 15 + 19 - 23
Door Jozef Driesen
De vader van Jezus
‘Door de geboorte van ons kind zijn we meer kwetsbaar geworden’,
heeft Tineke zojuist gezegd. Ik heb dat woord een paar dagen geleden
al van haar gehoord. En een week tevoren vroeg ze tijdens de
voorbereiding van deze dienst: loopt er in ónze werkelijkheid ook
een Jozef-figuur rond, want dat verhaal in het evangelie is toch ook
bedoeld voor onze werkelijkheid? Ik vond dat een intrigerende vraag.
Ik bracht mij voor de geest dat onze geloofsgemeenschap ook geboren
is, nog niet zo lang geleden. Het verhaal daarover is ook
wonderlijk. Dat loopt ook niet via het schema van: er waren een man
en vrouw, en zij verwekten een kind. Uit jullie verhalen, Nada en
Jan, die je hebt verteld en die je hebt opgeschreven, hoor ik ook
die ervaring van kwetsbaarheid en van verbijstering. En van jou,
Jan, heb ik vaak gehoord: je moet erbij blijven. Ik heb ook Sybe dat
horen zeggen. Gisteren op de dag van de kern heeft ook dat woord
‘kwetsbaar’ geklonken: het is altijd kwetsbaar om je verhaal te
vertellen; als je met een aantal mensen vertelt wat er echt in je
leeft, is dat uitermate kwetsbaar; je moet echter wel de weg van de
kwetsbaarheid op, als je wil voorkomen dat je een oud of verbrokkeld
instituut wordt; als je het aandurft, wordt vreugde je metgezel,
want je wordt blij om een nieuwe geboorte. Dat zie ik gebeuren.
Geboren worden, is dat één moment in je leven, of kun je voortdurend
geboren worden? Geboorte kán zich voortdurend aandienen; de enige
voorwaarde is dat je je verleden niet krampachtig vasthoudt.
Matteüs
vertelt ons een verhaal over geboorte; het staat vol bewegingen
tussen plaatsen en tijden. Jozef merkt dat ze niet op een veilige
plaats zitten. De wijzen zijn langs een andere weg vertrokken. Hij
probeert te onderscheiden wat hem te doen staat. Hij bespreekt zijn
gevoel met een wijze mens en hij ziet met grote helderheid voor hem:
aan mij is dit kind en zijn moeder toevertrouwd; we moeten hier weg.
Waarheen? Wat deden de aartsvaders? Jozef, de vierde aartsvader ging
naar Egypte, en zijn broers en hun vader Jakob kwamen daar naar toe
toen er hier hongersnood ontstond. Ze gaan op weg, hij en het kind
en zijn moeder Mirjam. Ze lopen op de weg die in de Schrift
beschreven staat; de Schrift wordt aan hen vervuld! Hij voelt dat
Mirjam met dezelfde gedachten bezig is. Hij slaat zijn arm om haar
heen zegt: ‘Liefste, wat ben je mooi, jij bent vol gratie, de Heer
is met jou, jij bent de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is
de vrucht van jouw schoot’.
Vanaf dat moment zal hij haar dat iedere dag zeggen, en nooit wordt
het een sleur in zijn leven. Later in Nazaret ziet Jezus als kind
dit gebaar van zijn vader. Hij stelt de onvermijdelijke vraag:
‘Pappa, waarom doe jij dat?’ Na een zucht en een glimlach zegt
Jozef: ‘Kind, jouw moeder en ik zijn met jou toen je heel klein was,
naar Egypte gevlucht.’ ‘Naar Egypte?’ ‘Ja, naar een groot land
voorbij de woestijn en een heel breed water’. De jongen droomt weg;
het woord ‘vluchten’ heeft hij niet gehoord. De volgende ochtend
speelt hij met zijn vriendjes en roept pardoes: ‘Ik ben uit Egypte
gekomen’. Ze kijken hem ongelovig aan. ‘Doe niet zo gek, jij bent
net zo gewoon als wij’, roepen ze hem toe. De jongen voelt zich
eenzaam, voor de eerste keer in zijn leven. Maar hij komt uit
Egypte, dat weet hij zeker – net zo zeker als dat zijn vader morgen
weer tegen zijn moeder zal zeggen: "Mirjam, …". Hij voelt zich
veilig bij zijn vader. Keren we terug waar we waren, in Egypte. Er
kwam een moment dat Jozef beluisterde dat ze terug konden gaan.
Onderweg hoorde hij Mirjam zingen. Was het die Mirjam die ooit
gezongen had toen de Hebreeën onder leiding van Mozes door de Rode
Zee waren getrokken? Hij had ooit een rabbi horen vertellen dat die
Mirjam toen ze klein was zo’n levendig kind was dat haar ouders
dachten: wij laten ons niet gezeggen door de politiestaat waar we nu
wonen en die ons verbiedt een zoon ter wereld te brengen; wij
verwekken nog een kind, en als het een jongen is, dan zal de Heer
van het Verbond zijn leven behouden; toen Mozes geboren was legden
ze hem in een arkje en gaven Mirjam opdracht om te waken. Was het
kind waarvoor hij de zorg op zich genomen had, zo vroeg Jozef zich
af, de nieuwe Mozes? Dan werden de Schriften toch wel aan hen
vervuld. Hij keek naar Mirjam en zij naar hem, en hij omarmde haar
en zei: ‘Mirjam, mijn liefste, wat ben je mooi; jij bent vol van
gratie; de Heer is met jou, jij bent gezegend onder de vrouwen;
gezegend is de vrucht van jouw schoot. Ze kwamen in Betlehem aan,
terug op het punt van vertrek.
Ze moesten toch nog verder – naar Nazaret. Waarom Nazaret? Een
aantal kerkvaders zeggen: het moest een plaats zijn buiten Judea,
het hoogjoodse land; het moest een plaatsje zijn in de streek van de
heidenen, want dit Kind kwam als een licht voor heel de wereld.
Matteüs wist natuurlijk dat zijn verhaal moest eindigen in Nazaret
en dat moest natuurlijk ook ‘volgens de Schriften’ zijn. Hij
schrijft: ‘… want hij zou een Nazoreeër genoemd worden’. Meer dan
een klankassociatie is hier niet aan de hand, zover ik weet. Is dat
een tekort in de tekst? Ik denk dat hier een breuklijn aangegeven
wordt. In de nieuwe tijd, die toch was aangebroken, doet het er niet
meer toe waar het hart van de Messias begint te kloppen. Het
alleenrecht van Betlehem is ten einde. Matteüs verbindt Nazaret met
Betlehem. Peter Schilling heeft ons in de studieweek over ‘Zoon en
Vader’ verteld dat Matteüs een probleem had met zijn vader en
daarmee met heel de geschiedenis, en dat hij dat door de
kennismaking met Jezus dat probleem verwerkt. Hij komt in Jezus het
nieuwe leven tegen en hij ontdekt hoe Jezus geworteld is in Israël,
niet zonder breuklijn. Frans, jij zei ons in een
voorbereidingsbijeenkomst: je zult het toch meemaken dat je zoon een
ander ‘vader’ noemt. Er valt ook pijn te verwerken aan de kant van
de ouders. De heilige familie heeft de pijnen van de breuklijnen
doorleefd, zegt de Schrift: "Wist je dan niet dat ik in het huis van
mijn vader moest zijn?"
|