Foto: Preken - Matteüs
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken
: Matteüs 3, 1 - 12

Door Tineke Renkema, gehouden op 9 december 2007

 

Zo de weg bereiden dat hij komen kan

 

Alles begint bij God. Alles begint bij Zijn woord, Zijn roep over deze aarde: Er moet licht zijn. Alles is erop gericht, dat dit woord van God door een mens wordt opgenomen, wordt geleefd.

We komen vandaag in de lezingen twee mensen tegen, twee profeten, Jesaja en Johannes, die doordrongen zijn van dit besef dat dit woord van God, deze roep over de aarde, kán worden en zál worden gerealiseerd. Ze kijken ons aan en roepen ons toe. Twee profeten die stem geven aan de hoop die in hen is.

 

Jesaja ziet het voor zich: Een mens op wie de geest van God rust, een mens die zonder ophouden weet dat álles bij God begint, een mens die gerechtigheid en trouw als een gordel om zich heen draagt en ernaar handelt. Jesaja ziet het voor zich: een paradijselijk visioen, waar de één en de ander, de wolf en het lam, samengaan, terwijl die eerder elkaar naar het leven stonden.

Jesaja durft het aan in een donkere tijd, teleurgesteld, stem te geven aan de hoop. Het ‘en toch’, en ‘ondanks alles’ te verkondigen. Zo houdt deze profeet het verlangen gaande, en de toekomst open.

Het visioen gaat niet verloren.

 

En dan Johannes. Hij treedt op in de woestijn. Het staat er in de tegenwoordige tijd, alsof het niet alleen toen gebeurde indertijd, ooit, maar ook nú, vandaag, hier, op dit moment. Johannes in zijn mantel van kameelhaar en zijn gordel, diezelfde gordel van gerechtigheid, die de profeet Elia droeg. Johannes, die de moed heeft het in de woestijn uit te houden, op die plaats waar niets is, waar niemand is, waar dorheid is en leegte. Die plaats, die woestijn, die wij doorgaans zo snel mogelijk proberen te ontvluchten, de leegte ópvullend, het gebrekkige vérhullend met van alles en nog wat, maar vooral met ons eigen ik, ons eigen belang.

Zo niet Johannes, die vult niets op. Hij, zo heb ik me dat voorgesteld, hij wacht, wacht, wacht net zolang tot het verwachten wordt, net zolang tot hij die stem hoort, die stem van God die klinkt door de eeuwen heen: Er moet licht zijn. Er zal een mens komen, die licht is. Hij hoort daar in de leegte van de woestijn de stem van de profeet Jesaja: Maak de weg van de Heer gereed.

En Johannes verbindt zich met dit profetenwoord. Het wordt zijn roeping. Hij roept ons toe dat de weg vrijgemaakt moet worden voor die mens, die het woord van God dragen kan. En met het komen van díe mens komt God ons nabij.

 

Wat is hiervoor nodig? Allereerst het besef dat de mens zélf, dat wij het zélf zijn die de weg blokkeren en die verhinderen dat hemel en aarde elkaar raken. Bekeer je! Zo roept Johannes ons toe.

Wij mensen houden het zelf tegen dat God op ons toe kán komen, dat er een wereld komt waar mensen elkaar recht doen, waar licht is.

Ik heb me afgevraagd: Hoe houden we het tegen? Door ons eigen koninkrijkje op te bouwen, de leegte op te vullen, de kwetsbaarheid te vérhullen met wat niet al, alles van eigen maaksel, zoals mijn gelijk, mijn waarheid, mijn zekerheid en bijv. mijn gemeenschap. Dat is de gemeenschap zoals ík haar voor me zie, teleurgesteld als het niet is, wat ík denk dat het zou moeten zijn. Dan raak ik bezet door wat er allemaal ontbreekt en trek me terug of reageer tegenovergesteld: ik bezet de hele ruimte met mijn waarheid.

Zo raken wij opgesloten in ons eigen koninkrijk en de weg van de Heer wordt geblokkeerd.

En wat ik zo in het klein op microniveau zie gebeuren, datzelfde is er ook in de wereld om me heen en op macroniveau: onze politieke belangen, de verschillende godsdiensten die ieder voor zich de waarheid claimen, de volken die zonder ophouden tegen elkaar opstaan: onze belangen, onze macht, onze waarheid.

 

Wat betekent het dan je te bekeren?

Je bekeren is beseffen: alles begint bij God, niets vindt in mijzelf zijn oorsprong. Alles begint bij God en alles begint bij het medemens zijn. Je bekeren betekent je verbinden, je toewenden naar die ander: opengevouwen leven. Zonder die ander is er geen leven, zal je leven geen vrucht dragen. Niet voor niets zegt Johannes: breng vruchten voort. Dat vraagt het samengaan van de één én de ander.

 

Ik zie hem staan die Johannes: hij staat in het water. Met zijn ene hand doopt hij de mens, die zich bekeert, met de andere hand wijst hij omhoog naar de hemel en zijn ogen zoeken naar de mens, die hij verwacht. Johannes zelf bereidt de weg van de Heer, maakt de weg van de Heer vrij, door zich te verbinden met een profetenwoord, door dat woord te doen.

 

Ik denk, dat wij ons in deze adventstijd, kunnen laten inspireren door deze Johannes. Ik geloof dat in ieder van ons een uniek woord is gelegd, een woord, waardoor je geroepen wordt, een woord, een woord om te doen.

En al doende uitzien naar die mens, die het woord van God ‘er moet licht zijn’ draagt en realiseert. En als je dan, op zijn tijd, oog in oog met hem staat, zal alles aan het licht worden gebracht en uitgezuiverd worden door de werking van het vuur dat hij in zich draagt. Maar ook zul je worden ondergedompeld in liefde, vrede, gerechtigheid, geduld en vertrouwen door de werking van heilige Geest.

En als wij dan, op zijn tijd, oog in oog te staan met deze mens, zal die bron geopend worden, zullen die krachten vrijkomen en het rijk van God naderbij.

Advent: Zo de weg bereiden dat hij komen kan! Wanneer dan?

Gods tijd is de allerbeste tijd.