Preken: Marcus
13, 24 - 32
Door
Jan Rooijakkers,
gehouden op 15 november 2009
De
eindtijd
We raken aan het eind van het jaar,
tegelijk ook aan het eind van het kerkelijk jaar. De vallende
bladeren overal vormen de ondertoon van onze liturgie van vandaag.
De eindtijd wordt opgeroepen: ‘waar
gaat het toch naartoe met ons?’ Een oproep tot bezinning.
Enerzijds de rampen, het donkere.
Daniël spreekt vanuit de tijd dat Jeruzalem in puin lag, en strijd
en vervolging het volk tot op het bot tot wanhoop dreigden te
brengen. En Jezus spreekt in het Marcus-evangelie vanuit de
verschrikkingen die hij alom ziet en voorziet met de schrille
kleuren van ondergang van tempel, stad en de hele schepping.
Maar: het gaat niet om die
verschrikkelijke realiteiten; het gaat vandaag om de oproep die erin
ligt. Het woord van Daniël en dat van Jezus willen bemoedigen!
Een drievoudige bemoediging. Daniël zegt: de beschermengel van
het volk van de Heer, Michael, zal opstaan om de kinderen te
beschermen. Jezus zegt: De Heer zal zijn engelen uitzenden ter wille
van zijn uitverkorenen! En verderop roept hij het beeld op van de
vallende bladeren, de schijnbaar levenloos geworden kaalgewaaide
vijgenboom: de goede ziener ziet al de komende knoppen, en de
eenvoudige mens weet al: pas de dode bladeren scheppen ruimte voor
de lente en die zal komen. De winter zal overwonnen worden.
Maar zoals het toen gold, zo geldt
het ook nu: kijk om je heen!
- dagelijks horen en zien we de
rampen,
- de oorlogen en zelfmoordexplosies
zijn niet bij te houden,
- het puin van Serajewo is nog niet
geruimd of Bagdad en half Afghanistan zijn alweer in de as gelegd.
In deze kakelbonte klaagsymfonie van
het dagelijkse nieuws van onze tijd, worden wij nu geroepen om
stelling te betrekken. Meehuilen met de wolven? Of geroepen om te
varen op de knoppen onder de stervende bladeren, om te varen op de
komende lente? Als God al de bomen en planten volstopt met hoop en
vertrouwen op hun toekomst, hoeveel te meer dan jullie,
kleingelovigen – hoor ik diep in mijn hart de Heer mij
toefluisteren.
De eindtijd van de wereld
aankijken wil zeggen: met alle vezels van angst en vertrouwen durven
vragen: waar gaat het naar toe met ons!
Mens, je bent groepen om in de grote
ervaring van de profeten te durven gaan staan en te vertrouwen dat
de andere stem, het woord van de aanwezigheid van de beschermer jouw
kijk bepaalt!
Niet een of andere roepende in de
woestijn moet profeet zijn voor onze grote wereld, neen wij als
volk van de Heer, samen, zijn geroepen deze profetische stem,
deze moedige en vertrouwvolle houding uit te stralen, en dit
bemoedigende woord in daden te vertalen, en ons te distantiëren van
de doemdenkers.
Naar de eindtijd, het eindvisioen te
durven kijken, wil zeggen: het panorama van de einder is niet zonder
wolken, maar de einder gloort voor wie het wil zien. Pas als je
voluit in die houding van “de lente komt – de Heer zendt zijn engel”
durft te gaan staan als volk, ben je een waterkering in de
stortvloed van doemdenkers. Tot die profetische inbreng in onze tijd
zijn wij samen geroepen. |