|
|
Preken: Marcus
12, 38 - 44
Door Nel van Cuijk,
gehouden op 8 november 2009
Zonder mensen die durven offeren ontstaat er geen menselijkheid
We gaan naar het einde van het
kerkelijk jaar. En we hebben twee verhalen gehoord die mij/ons iets
te zeggen hebben over gemeenschapsleven, gemeentevorming. Twee
verhalen van twee vrouwen en twee mannen, twee mannen Gods met naam
en faam, en twee anonieme vrouwen, de ene is een buitenlandse en van
de andere weten we helemaal niets, ja ze deed zo ongeveer 20
eurocent in de offerkist. Arme vrouwen en ondanks of misschien wel
dankzij hun naam en faam berooide mannen. De mannen worden belaagd
in hun bestaan en in hun geroepen zijn. Elia moet alsmaar vluchten,
de religieuze en politieke leiders van zijn tijd zien hem niet
zitten en ook Jezus is door zijn gedrag en door zijn woorden bij de
religieuze leiders van zijn tijd in diskrediet geraakt.
Elia moet maar
weggaan, zegt God tegen hem, naar het buitenland, daar zal een vrouw
wel voor hem zorgen. Dat God dat ook al wist, dat vrouwen wel zullen
zorgen!! Geen naam en geen adres wordt hem gegeven. Hij gaat en ziet
een vrouw en hij vraagt haar om water, ze is niet te beroerd dat
voor hem te halen. Dan vraagt hij ook nog om brood, dat heeft ze
niet, en dat zegt ze dan ook. ‘Bij de Enige uw God, ik heb nog voor
één keer wat olie en meel voor mijn zoon en voor mezelf en dan is
het afgelopen.’ ‘Vertrouw me’, zegt Elia, 'vertrouw de God van
Israël, de Ene zal zorgen dat het meel niet opraakt en de olie ook
niet.’ Ik weet niet of ik het gedaan zou hebben.
Maar zij gaat
er op in. Zij vertrouwt het kennelijk, wat is dat voor een
vertrouwen. De arme, de mens die niets meer te verliezen heeft, die
is in staat het leven in handen te leggen van de Enige, de God van
Israël. De weduwe geeft zoals de vrouw in het evangelie alles waar
ze van leven moest. Zij gaat voorop in het vertrouwen dat Elia
uitspreekt. Hij spreekt en preekt en zij doet vertrouwen, zij legt
haar leven in handen van de levende God. Elia, hij is nog zo zeker
van zijn God, de God die het met vuur en donder en bliksem voor hem
opneemt, hij komt nog voor de donkere nacht te staan, de nacht van
Gods afwezigheid, de nacht die al je vertrouwde beelden van God aan
gruzelementen doet vallen, die nacht die je leert om met andere
zintuigen, met andere beelden te leven. De nacht, zegt Dag
Hammerskjöld dat al je vrienden slapen en God zwijgt, in die nacht
voltrekt zich de vereniging, die nacht zul je weten wie God is. Die
nacht staat nog te wachten voor Elia.
En dan die
andere Godsman. Hij heeft de tempel schoongeveegd, hij heeft
vijanden gemaakt, hij heeft aanzien gekregen bij de gewone mensen,
ze zijn verrukt over zijn onderricht, zijn vertrouwensrelatie met
God, zijn anders over God spreken dan de gebruikelijke beweringen
over God en gebod. Zijn opkomen voor de mensen of ze nu arm zijn of
rijk, vroom of zondig, vrouw of man, de mensen, het volk vinden hem
geweldig. En Jezus weet ‘nog even’ en het is voorbij voor hem. De
overheden pikken het niet, dit aantasten van hun gezag, dit overhoop
halen van hun goed geordende leven. ‘Jullie’, zegt Jezus dan,
‘jullie zijn asociale ijdeltuiten, jullie zijn een gevaar voor de
samenleving. Jullie vreten de huizen van de weduwen, de gemeenschap,
op en verhullen je gedrag met hypocriete uitingen van vroomheid.’ Zo
zegt Bas van Iersel.
Woedend moet
hij geweest zijn. Kijk uit voor deze schijnvertoningen, die
schijngebeden, zegt hij tot ieder die het horen wil. Geen wonder dat
ze hem kwijt willen. En daar zit hij dan ergens in die tempel en hij
ziet het gedoe van mensen. Rijken die aanzienlijke bedragen in de
offerkist storten, grote bedragen die hen geen centje pijn doen. Is
dat verkeerd, nee denk ik, maar het is geen nieuws, het is gewoon.
Dan ziet hij die weduwe, die geeft van haar tekort. Dan roept hij
zijn leerlingen. Dan is er iets nieuws te zien, dan heeft hij hen
wat te leren. Die vrouw wordt een eyeopener voor hem, zij geeft
alles, zij geeft waar ze van leven moet. Dat gaat hij ook doen, zijn
leven geven, dan offer je niet iets, dan offer je jezelf. Bij
Antoine de Saint Exupéry las ik een dezer dagen dat de essentie van
mens-zijn is, dat ons leven een offer is, een geschenk aan de
mensheid. Zonder offer, zonder mensen die durven offeren ontstaat er
geen menselijkheid. Als ik alleen nog aan mijzelf geven wil, ontvang
ik niets, dan bouw ik aan niets waarvan ik deel uitmaak en dan ben
ik niets. Een mens die durft te geven waar hij/zij zelf van leven
moet, die mens vormt de sleutel tot gemeenschap. De anonieme vrouw
van het evangelie legt haar leven in de handen van de Enige, de
eyeopener voor Jezus. Ook hij legt zijn leven in de handen van God,
dat vieren we straks. Die mannen Gods, die vrouwen Gods, hun leven
en de inzet van hun leven, dat is niet te begrijpen, hun handelen en
hun spreken zijn er om ons te openen, te veranderen. Om dat waar ik
nog niet aan toe ben aan het licht te brengen. Om mij/ons te
verleiden om ook ons leven te breken en te delen. ‘Voor mensen die
dat leven, voor het offer dat dan gebracht moet worden soms, voor
zo’n mens’, zegt Wiel Logister, ‘wil ik wel door de knieën.’ |