|
|
Preken: Marcus
10, 46 - 52
Door
Tineke
Renkema,
gehouden op 25 oktober 2009
Hoe raken wij toch
afgestemd op wat er werkelijk toe doet?
Valt er nog iets nieuws te ontdekken aan zo’n bekend verhaal
als dat van de blinde Bartimeus? Vaak geeft de 1ste
lezing een aanwijzing:
De profeet Jeremia is aan het droomdenken. Er is nog geen
enkel teken van perspectief want de ballingschap is nog lang niet
voorbij. En toch! En toch klinkt de stem van Jeremia: ‘De Heer heeft
zijn volk gered. Er is terugkeer mogelijk, terugkeren om het land
weer op te bouwen.’ Het is de stem van de hoop die klinkt, de stem
van het vertrouwen dat roept. Het is de grote vraag, door de eeuwen
heen, om ruimte te maken voor deze stem. Het is de grote vraag of
onze ziel, dat orgaan dat afgestemd is op die stem van hoop en
vertrouwen, bereikbaar is. Hoe raken wij toch afgestemd op wat er
werkelijk toe doet? Dat is de vraag die ik meeneem vanuit de 1ste
lezing om naar het verhaal van de blinde Bartimeus te luisteren.
Jezus is onderweg met zijn leerlingen en vlak voordat zij in
Jeruzalem aankomen, is er dan deze blinde langs de weg. Het is een
van de weinige keren dat in een genezingsverhaal iemand een naam
heeft, een identiteit. Deze Bartimeus heeft ooit ook kunnen zien.
Hij is om wat voor reden dan ook van de weg af geraakt. En daar zit
hij dan als een bedelaar. Hij heeft weliswaar een naam, een
identiteit, maar zit met lege handen langs de weg, en is zijn zicht
op zijn bestemming verloren, blind geworden. Maar terwijl zijn leven
zo uitzichtloos lijkt, met de rug tegen de muur, is alles in hem er
blijkbaar op gespitst geraakt om te willen leven. Hij reageert
onmiddellijk als hij hoort dat Jezus voorbij komt. Alles in hem is
afgestemd geraakt op het enige wat er echt toe doet, het enige dat
telt: nl. dat wat hem zou kunnen redden uit deze duisternis, uit dit
leven zonder zicht.
Als je zo jezelf kent, erkent dat je blind bent en beseft dat
je jezelf niet redden kan, maakt dat het dan niet mogelijk dat je
Jezus herkent als Zoon van David, Messias? Hij herkent hem als
diegene die hem het zicht op hoe de weg te gaan, hoe onderweg te
blijven, terug kan geven. Hij herkent hem als iemand die afgestemd
is op de stem, die het vertrouwen voedt en de hoop gaande houdt. Het
is nu of nooit: Hij schreeuwt het uit: ‘Zoon van David: Ontferm U.’
Hij laat zich door niets en niemand meer weerhouden, ook niet
door mensen die blijken ongevoelig te zijn voor de stem uit de
diepte en zo de weg voor de ander en daarmee voor zichzelf
blokkeren. (Laten we zelf ook maar in die spiegel kijken.) Jezus,
juist afgestemd op die stem uit de diepte, wijst de omstanders de
weg: ‘Maak de weg toch voor hem vrij. Roep hem!
Bartimeus gooit zijn mantel af en springt op (en stel je
voor, dat als blinde!) en gaat naar Jezus.
In heel die beweging zit alles: het loslaten van zijn oude
leven, het opstaan, het naar die ander gaan, het je toevertrouwen,
het je wagen aan de ontmoeting, oog in oog en antwoord geven op die
richting-gevende vraag: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’
En is het niet zo, ik denk dat het zo is, dat juist vanuit de
diepte, vanuit de crisis, de leegte, de armoede, die vraag een
wezenlijk antwoord vindt? ´Rabboeni, dat ik weer zien mag.’ De
Naardense vertaling is: ‘Dat ik kan kijken’. Kijken! Wat zegt dat?
Als ik ergens naar kijk, echt kijk, dan is dat een heel
gerichte, toegespitste aandacht. Mijn aandacht is dan niet verdeeld,
verstrooid, niet afgeleid door wat er ook allemaal nog is. Als je
echt kijkt dan ben je zelf aanwezig en komt diegene naar wie je
kijkt aanwezig.
Is dat waarnaar de blinde verlangt en wat hem zo ontbroken
heeft: te leven met zo’n toegespitste onverdeelde aandacht, waarbij
zowel jijzelf als de ander aanwezig komt? ‘Wat wil je dat ik voor je
doe? – Dat ik kan kijken!’ En dat is wat hij doet. Doordat hij
kijkt, verbindt hij zich en vertrouwt hij zich aan Jezus toe. En dat
is wat Jezus bevestigt. En een eenmaal onder woorden gebracht
verlangen (vandaar dat we er zo huiverig voor zijn om ons verlangen
naar buiten te brengen) wordt richtinggevend: hij volgt Jezus op
zijn weg.
Hoe raken we toch afgestemd op wat er werkelijk toe doet,
vroeg ik aan het begin? Het is de vraag die voor mij persoonlijk
maar ook voor ons als gemeenschap van het hoogste belang lijkt. Wat
zegt het verhaal van Bartimeus? Het allereerste dat bij mij
bovenkomt, is dat er bij hem sprake is van een groot verlangen naar
echt leven, bestemd leven en dat dat verlangen uit de diepte is
opgesprongen. Als ik naar mezelf kijk, naar onze gemeenschap kijk,
dan zijn wij doorgaans te bezet door van alles en nog wat, te rijk,
te bezig met menselijke, maar ook vaak met kleinmenselijke dingen,
niet leeg genoeg om die stem van het verlangen te horen. Dat te
erkennen, dat wij niet leeg genoeg, is een eerste noodzakelijke stap
willen we afgestemd raken op die stem van het verlangen, die stem
die zegt dat we kunnen leren kijken. Het is droomdenken, een droom:
ik weet het, ik kan het niet maken. En toch! En toch zoek ik ernaar
hoe we ons hiervoor open kunnen stellen, want we zijn toch geroepen
om een gemeenschap te vormen in Zijn Naam?
Afgestemd raken op die stem van het verlangen vraagt stilte,
inkeer. Vaak gebeurt dat, en dat hebben wij niet in de hand, in
crisistijd. Soms worden we zo stilgezet, staande gehouden. Maar ik
denk dat wij er ook voor kunnen, misschien wel moeten kiezen om een
plaats te zijn waar we, meer dan gewoon, oefenen om in die stilte
binnen te gaan met de vraag in ons: Wat wil je nu echt dat ik voor
je doe? Wat doet er werkelijk toe, wat is je heilig?
In die stilte kun je afgestemd raken op die stem, onverdeeld
aandachtig en zo een naam vinden, een woord dat voor jou is bestemd,
zoals Bartimeus een Naam vond. Als die naam, dat woord opspringt,
weet je met wat of met wie je moet verbinden, wat en wie je volgen
moet. |