|
|
Preken: Marcus
10, 17 - 30
Door Koos van Etten,
gehouden op 11 oktober 2009
Mislukte roeping of onbeantwoorde
liefde
Ik weet niet hoe
het jullie vergaat, maar de woorden uit de eerste lezing klinken
toch wel vreemd in de oren. Daarin zegt de schrijver dat bergen
goud vergeleken met wijsheid niet meer is dan een hoopje zand, en
zilver niet meer dan slijk. Wat bedoelt deze man? Uit de lezing
is op te maken dat hij zoekt naar de waarde van het leven. Als jood
is hij thuis in de wereld van de Schrift, maar hij leeft in een heel
andere cultuur, de hellenistische die erg gesteld is op wijsheid.
Daar probeert hij aansluiting mee te vinden. Hij zoekt ook naar
wijsheid, maar maakt een onderscheid tussen de waarde van uiterlijke
dingen en die van de innerlijke kant. In die zin sluit zijn woord
ook aan bij onze cultuur. Ook wij worden door onze media en de
reclame gewezen op de aantrekkelijkheid van de rijkdom of op de
waarde van een mooi uiterlijk en een goede gezondheid. En dat alles
is belangrijk. Ik zal er ook alles voor doen om een goede gezondheid
te behouden. Maar, zegt de schrijver, dat zijn nog uiterlijke
dingen; er is ook een innerlijke kant en die is het meeste van
waarde.
Datzelfde onderscheid tussen uiterlijk en innerlijk klinkt in het
evangelie. Belangrijk daarbij is te onthouden dat Jezus onderweg is
naar Jeruzalem. Dat is een radicale keuze voor het rijk van God, ook
al kost het pijn en lijden. Op die weg geeft Jezus onderricht aan
zijn volgelingen, hoe je een echte leerling kunt worden. Dat houdt
evengoed een radicale keuze in, in de tijd van Marcus zelfs met
vervolging of lijden. En dan geeft Marcus het voorbeeld van de rijke
man. Er staat hier niet dat het een jonge man is. Maar goed, die man
komt hard aanlopen, valt op zijn knieën en vraagt: Goede meester,
wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven? Jezus
neemt hem serieus, en hoort in die vraag een soort onvrede. De man
leeft best goed, maar toch verlangt hij naar iets méér. Daarop gaat
Jezus in, maar wijst eerst van zichzelf af: ‘Noem míj niet goed; er
is er maar één die goed is: de Ene, de Enige, de Onnoembare!’ Daarna
wijst hij op de Tien Woorden als de leefregel om een goed mens te
worden, door eerbied te hebben voor God en respect voor je medemens.
Maar als de man
daarop antwoordt dat hij zo geleefd heeft van jongs af aan, dan,
staat er, kijkt Jezus hem aan en gaat van hem houden.
Merkwaardig dat woord: houden van; agapaoo, waarmee ook agapè=liefde
verwant is. Van wie houdt Jezus? Ik ben er van uit gegaan dat hij
van zijn leerlingen houdt, maar dat wordt nergens gezegd. Ja, in het
Johannesevangelie komt het een paar keer voor, maar in de drie
andere evangelies helemaal niet, behalve één keer hier. Merkwaardig,
nietwaar? Door Jezus gaat dus een stroom van genegenheid naar deze
man en hij doet op hem dit appel: Eén ding ontbreekt je: verkoop
je bezit en, geef het aan de armen. Dan heb je een schat in de
hemel. Kom dan en volg mij. Eén ding, dat te maken heeft met de
Ene. Het is een keuze voor een radicaal vertrouwen op God, een schat
in de hemel. Dat is een echte uitnodiging, maar ook een totaal
andere manier van denken en handelen. Want die rijke heeft veel zelf
in handen. Door zijn rijkdom heeft hij sociale en economische macht
over anderen. Maar als je dat alles loslaat/ achter je laat; als je
je durft toe te vertrouwen aan de Ene en aan de mensen om je heen,
dat is dan een hele sprong!
Voor
die man is het een brug te ver en hij gaat bedroefd weg. Hij durft
het niet aan de sprong te wagen en blijft bij zijn rijkdom. Wat
jammer: ach, hij zal verder best een goed leven geleid hebben, maar
zijn echte bestemming heeft hij niet gevonden. Hij had een
bijzondere leerling kunnen worden, één die mee had kunnen bouwen aan
een betere wereld. Maar helaas en met pijn reageert Jezus hierop:
Wat is het toch moeilijk voor een rijke om het koninkrijk van God
binnen te gaan. Waarom? Omdat hij vol bagage zit. Een kameel kan
met al zijn last op zijn rug nog door het oog van een naald, maar
een rijke komt met al zijn bagage niet door de poort van Gods rijk.
Zo hoor ik onder
ons soms ook mensen verzuchten: ‘Er zijn best gasten die ons leven
hier in deze gemeenschap aantrekkelijk vinden, maar wie durft er
zich aan ons leven over te geven?’ Of een andere verzuchting:
‘Verschillenden van ons zijn in dit leven in gemeenschap wel
ingestapt en hebben, toen we nog jong waren, de sprong gewaagd, maar
zijn we nu nog te bewegen of hebben we het wel goed met elkaar?’ Ik
versta die roep ook naar mijzelf. In het evangelie komt er een appel
naar ons toe: een roep om ons te richten op het éne noodzakelijke,
op het éne dat ons leven werkelijk zin en richting geeft. Dat heeft
te maken met de Ene, de Enige. Misschien reageren wij net zo goed
met te zeggen: ‘Maar dat is onmogelijk; dat kan ik niet.’ Dat klopt
ook; uit ervaring weten we dat het een gave is, een genade als je
die sprong kunt wagen. Zo zegt Jezus het zelf: Bij mensen is dat
niet mogelijk, maar bij God wel.
|