Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Marcus
9, 38 - 43 + 45 + 47 - 48

Door Nel van Cuijk, gehouden op 27 september 2009

 

Een beker water, geen grootse prestatie

 

Als je met een moeilijke tekst geconfronteerd wordt, en ik vind dit een moeilijke tekst, dan kun je b.v. eens teruggaan naar de voorafgaande hoofdstukken. Waar gaat het om in de gemeente van Marcus of/ en waar is Marcus zelf bijzonder door gefascineerd, wat boeit Marcus, waar spreekt hij over, wat speelt er zich af kort voor de tekst die we vandaag te horen hebben gekregen? Dan zie ik dat in de eerste hoofdstukken van Marcus een aantal keren sprake is van het uitdrijven van demonen. Kennelijk is dat fascinerend, en het is natuurlijk ook spectaculair als je een mens van boze geesten kunt genezen. Het is – zo lezen we bij Marcus – een enorme krachtmeting. Als je leest wat er zoal geschreven wordt dan hoor je dat er sprake is van een enorm geschreeuw, van stuiptrekken, van aan handen en voeten gebonden zijn, van schuimbekken, tandenknarsen en totaal verstijven. Als je dat kunt genezen dan ben je wel iemand, en als je dat thuis kunt vertellen dan heb je wel wat meegemaakt.

Vorige week hoorden we al dat Jezus met onderricht aan zijn leerlingen bezig is. Zijn missie, zijn opdracht is in de cruciale fase gekomen en hij wil dat in de intieme kring van zijn leerlingen zo duidelijk mogelijk vertellen. Hij geeft onderricht aan de leerlingen, die – zo hebben we gehoord – enige taaie momenten achter de rug hebben. Ten eerste zijn ze nogal bezig met de vraag wie van hen het belangrijkste is: wie is de beste leerling, de beste bestuurder misschien. Kortom wie is de grootste en als Jezus hun vraagt hoe hun overleg geweest is dan zwijgen ze verder. Ten tweede hebben ze een poging gedaan om een boze geest uit te drijven en dat is hun niet gelukt, en als laatste heeft Petrus een stevige reprimande van Jezus gehad, vandaar misschien ook die onderlinge discussie over wie dan nu wel de grootste zal zijn als Petrus – zo lijkt het – een beetje uit de gratie is gevallen.

Ik denk dan: zou de gemeente van Marcus in een crisis beland zijn? De leerlingen hebben gefaald. De mensen van die gemeente, die eenvoudige gemeente van Marcus, van Christus, zij kunnen het niet, ze kunnen de krachtmeting die gevraagd wordt niet opbrengen, ze krijgen de boze geesten niet weg en ze kunnen geen overeenkomst bereiken over wie leiding moet geven. En om hen heen lopen mensen, of minstens één mens die wel het vermogen heeft om geesten uit te drijven. Die wel iets spectaculairs kan laten zien. Ze zijn er boos over en verward, wat moeten ze daarmee. Ze komen er mee bij Jezus, en Johannes – hij is nu de woordvoerder van de leerlingen – vertelt hem hoe ze om zijn gegaan met ‘die mens die een boze geest uitdrijft en geen volgeling is van ons’. Ze hebben het verboden, ze hebben die mens tegengehouden! Ja, dat hebben ze gedaan ze hebben deze mens verhinderd om demonen uit te drijven. En ze verhinderen dat er kleine kinderen bij Jezus komen. En Jezus is het daar niet mee eens. ‘Wie in mijn naam een machtige daad stelt’, zegt hij, ‘die zal daarna toch geen lasterpraat over mij uitstrooien, dat zal wel goed gaan’. Wat moeten de leerlingen met dit antwoord, wat moet de gemeenteleden die zien dat ze een aantal dingen niet kunnen, dat ze niet bij machte zijn tot het uitvoeren van spectaculaire daden, van wonderbaarlijke genezingen, de mensen van die gemeente die in een onderlinge machtstrijd verwikkeld is geraakt. We horen er niets over, we horen niet hoe de leerlingen, de gemeente met dit antwoord van Jezus omgaat. Het enige wat we horen is Jezus zelf: hij geeft onderricht, en op de eerste plaats kalmeert hij de hooggespannen verwachtingen van grootse daden. ‘Wie jullie een beker water geeft, aan wie jullie een beker water geven, omdat je van Christus bent, omdat je in Christus gelooft, geloof me die zal daarvoor beloond worden’. Zo gewoon is het, een beker water geven, een mens opnemen, zorg dragen voor elkaar.

Waar het in de gemeente van Christus om gaat is niet zo spectaculair, althans dat hoeft het niet te zijn. De machtige daden van Jezus hebben altijd om geloof gevraagd, zij die Jezus willen volgen zien zijn machtige daden, en zij die Jezus niet geloven, niet willen volgen, zeggen dat die machtige daden van de duivel afkomstig zijn. Het volgeling zijn van Jezus vraagt geen machtsprestatie, wel de ogen en oren, de handen en voeten om mee te bouwen, mee te zien en te denken over hoe nu als gemeente te leven. In de gemeenschap van Christus is het belangrijk dat je de kleinen, de kinderen, maar ook een van die kleinen die in mij geloven niet laat struikelen. Als die kleine gelovigen door jouw gedrag, jouw nietsontziendheid, jouw handel en wandel, hun argeloosheid verliezen, hun vertrouwen, hun geloof in samenleven, dan is er sprake van een ernstige ontwrichting. Dan wordt de gemeente van binnenuit bedreigd. Dat is ernstig, zo ernstig dat Jezus afschrikwekkende beelden gebruikt, een molensteen om je hals en in het diepe geworpen worden, je onwillige ledematen en zintuigen een halt toeroepen. De gemeente die de kleinen veracht, de kleinen gebruikt om gelijk te krijgen, de kleinen overhaalt om afvallig te worden, om het geloof in leven en samenleven op te geven, is ten dode opgeschreven.

In dat klimaat van leven is geen vrede mogelijk, daar blijft het knagen zegt Jezus, van binnen lijkt het of er een worm aan je vreet, van buiten of er een vuur aan je vreet.

De gemeente van Christus neemt de kleinen op en geeft een beker water en je zult het zien en meemaken dat alle demonen dan op de vlucht slaan. Dan kan die gemeente zingen en vragen: “Wek mijn zachtheid weer, geef mij terug de ogen van een kind”.