|
|
Preken: Marcus
9, 30 - 37
Door
Tineke Renkema,
gehouden op 20
september 2009
Over diep geluk en een kind in ons
midden
Een paar weken
geleden werd al duidelijk dat de weg met Jezus gaan nog iets anders
is dan versteld staan over zijn genezende werking, verwonderd over
zijn gloedvolle woorden, over zijn gezagvol optreden. Hoewel hij op
mensen een enorme indruk maakte, veranderde dat lang niet altijd hun
leven. Velen hielden het immers voor gezien, toen bleek dat hij de
confrontatie niet schuwde, toen duidelijk werd dat met Hem de weg
gaan vraagt, dat je alles geeft. Zo werd de kring van mensen rond
Jezus steeds kleiner.
Ook aan zijn intimi
vroeg Hij: “En jullie, willen jullie soms ook weggaan?” Ze bleven,
de twaalf, ook al begrepen ze hem vaak niet. Zo gingen ze onderweg
naar Jeruzalem en Jezus onderrichtte hen gaande de weg.
Zouden zij gaan
begrijpen wat hem voor ogen stond? Zouden zij ziende mensen worden?
Wat moet Jezus,
toen hij besefte, dat hij zijn dood tegemoet ging, er alles aan
gelegen zijn geweest om aan hen te kunnen overdragen, waartoe hij
leefde: zijn geestelijk testament.
Onderricht dus
vanmorgen. En we zijn bij het eerste horen van het evangelie
misschien al gewaarschuwd, want het onderricht voor vandaag is niet
voor wie ongestoord wil genieten van zijn rust, maar alleen voor wie
verlangt dat zijn doofheid wordt doorbroken, voor wie wil zien met
open ogen. Mij te laten onderrichten vraagt een keuze, want het
maakt het hart onrustig en wijst mij erop dat als ik mijn oor echt
te luisteren leg en mijn ogen echt open, dat ik dan zie dat er heel
veel wordt geleden, dóór mensen vanwege mensen. Allesbehalve vrede.
En als we ons dan
openen, laten we dan proberen te luisteren naar wat hij te zeggen
heeft.
Het is niet nieuw
wat hij vertelt. Hij heeft het al een keer gezegd. Vorige week
hoorden we het nog. Maar dit keer klinkt het rechtstreeks, kort en
onomwonden: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die
zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.’
Punt! Het zal dus geschieden! Jezus ziet deze pijnlijke
werkelijkheid: hij zal worden gedood. Immers: de tegenstand neemt
alleen maar toe, wanneer hij Jeruzalem nadert. Pijnlijk genoeg, die
stad die het visioen van vrede in zich draagt, maar waar hij in
handen van mensen zal vallen.
Die stad, die ook
nu nog dat visioen in zich draagt en waar mensen niet naast elkaar
kunnen bestaan.
En dan overvalt me
weer die vraag waarop ik een antwoord wil zoeken: hoe is het toch te
begrijpen, dat juist hij, die liefde geeft en recht doet, dat juist
hij, die opkomt voor de waarheid, niet wordt verdragen en wordt
gedood. “Zijn jullie boos omdat ik goed ben”, zei Jezus ooit! Is het
niet zo, dat hij en al diegenen die zijn voetspoor volgden door hun
levenswijze en aanspraak zo appelleren aan ons geweten, zo’n beroep
doen op onze ethische verantwoordelijkheid, zo onze rust, ons
genieten verstoren, dat wij de neiging hebben ons af te sluiten, het
appel te negeren of ons er tegen te verzetten?
En is het juist
dan, als wij heel veel te verliezen hebben, dat we het niet kunnen
verdragen in de spiegel te kijken van het eigenbelang? Komen mensen
zo uiteindelijk, wanneer er voor hen heel veel op het spel staat,
tot haat en de onbegrijpelijke daad van het doden van een
rechtvaardige?
Jezus weet het:
mensen zullen deze Mensenzoon doden, zo zal het gaan, en zo gebeurt
het nog steeds.
Het is
allereerst deze pijnlijke realiteit, dit inzicht dat Jezus aan zijn
leerlingen wil overdragen. Maar daar blijft het niet bij. Waar het
echt om gaat is, dat hij deze realiteit in één adem verbindt met te
zeggen, dat hij na drie dagen uit de dood zal opstaan. Elke keer
wanneer deze woorden klinken, cirkelen we rond een geheim. Ik hoorde
er deze week in, dat Jezus rotsvast gelooft, dat zijn leven niet
vergeefs zal zijn, niet mislukt, ook al wijst alles in
tegenovergestelde richting, en dat God voor zijn gegeven leven borg
staat. Ik hoor het als woorden die spreken van geloof in de God die
er zal zijn, woorden van geloof in leven tegen de dood. Ik hoor het
woord ‘opstaan’ als een woord met een enorme kracht en grote
vitaliteit.
Ik geloof, maar
ik vind het moeilijk uit te leggen, terwijl ik het het
allerbelangrijkste vind, dat Jezus door te zeggen dat hij uit de
dood zal opstaan iets zegt over zijn diep gelukkig zijn, diep
gelukkig, omdat hij weet vanwaar hij komt en waartoe hij leeft, zich
bestemd weet en zo de kracht vindt om met zijn lijden om te gaan.
De leerlingen
begrijpen het niet. Het is ook zo tegenstrijdig: zo de dood tegemoet
zien, trouw aan je bestemd zijn en op deze wijze geluk vinden? Het
verwondert me niet, dat zij er niet aan durven raken. Want stel dat
ik eraan raak, is het dan ook niet mijn weg? Stel dat ik dit
onderricht onderga: maak ik dan niet deel uit van deze weg?
De leerlingen
zijn nog blind en doof, bezig met de dingen van mensen: wie is de
belangrijkste? Zij zwijgen. We beseffen het vaak niet, maar hoeveel
energie gaat er niet verloren door ons zwijgen! Jezus doorbreekt dit
en brengt aan het licht. Hij veroordeelt niet waar zij mee bezig
zijn, maar geeft er een keer van 180 graden aan: de grootste zal elk
ander dienen. Dienen: ter beschikking stellen wat je hebt, wat je
bent. Hier ben ik.
Zet hij daarom
een kind in hun midden? Een kind, dat niet anders kan dan alleen
maar zijn, onverdeeld, bloot en onomwonden, waarachtig en diep
afhankelijk van de goedheid van mensen en daarop blind vertrouwend.
Jezus zelf noemde God zijn Vader en zette zichzelf in die
verhouding. Hij bleef bij dit vertrouwen, niet het blinde vertrouwen
maar een keuze om te blijven vertrouwen, juist waar dit vertrouwen
door mensen werd geschonden.
Waar het voor
ons op aan komt, als wij ons laten onderrichten, dat wij in dit
vertrouwen van Jezus blijven staan en met hem voor ogen het
kindschap bewaren.
Het kan niet anders dan dat
wij het paradijs van het kind zijn, die eerste naïviteit, moeten
verlaten en onderweg gaan, maar laten wij dat dan doen met het beeld
van dit kind in ons en tussen ons voor ogen: Dit kind, dat ook Jezus
zelf is, en in ons midden staat, dat kind dat appelleert aan ons
geweten en dat roept om het vertrouwen niet te beschamen. □
|