Preken: Marcus
8, 27 - 35
Door
Niek Werkhoven,
gehouden op 13
september 2009
Het goede bericht
‘Het goede
bericht, het goede nieuws, van en over Jezus Christus, de Messias.’
Zo begint Marcus
zijn evangelie te schrijven. Dat is de titel en de inhoud van zijn
geschrift.
En ieder stukje
van zijn verhaal draagt dat ‘goede nieuws’. Dat is gauw gezegd en
heeft nog niet zoveel om het lijf. Het krijgt pas kleur als je je
realiseert tot wie Marcus zich richt. Mensen die Jezus nooit gezien
of gehoord hebben. Ver weg van Jeruzalem, hoogst waarschijnlijk in
Rome. Mensen die door deze verhalen tot geloof waren gekomen. Geloof
in de zin van een levenshouding en een gedrag dat hen vervreemdde
van hun omgeving. Hen tot dissidenten van hun tijd maakte, met alle
weerstand, tegenwerking, vervolging van dien.
Zij waren
ingegaan op een verhaal van anderen, op verhalen die hoop gaven, die
hun verlangen naar ‘anders’ beantwoordden. De warrige werkelijkheden
van het leven kregen er richting door.
Dit alles, het
ligt niet voor het oprapen. Toen niet, nu niet. Het goede nieuws kan
lang, heel lang een puzzel blijven. Openbaring gebeurt niet zonder
meer in de bijbel en de overlevering – tot op de dag van vandaag.
Daar is ook de concrete ervaring van het leven hier en nu voor
nodig. Het hier en nu als de ruimte waarin we leven, bewegen en zijn
met God.
Dat laat Marcus
ons vandaag dan ook horen. Het stukje dat we zojuist hoorden is het
scharnierpunt in Marcus’ verhaal. Een keerpunt dat we bij alle vier
evangelisten terugvinden. Jezus blijkt op een gegeven moment zijn
aandacht wat van de menigte af te keren om zich heel expliciet tot
zijn leerlingen te richten. Tot mensen die hem achterna gaan.
Daarom moeten we
de vragen goed verstaan. Het is Jezus er niet om begonnen een
opiniepeiling te houden: “Wie zeggen de mensen, voor wie houden
jullie mij…?” Met andere woorden: wat zijn jullie verwachtingen,
waar gaat jullie hoop naar uit?
Petrus, de man
van het eerste uur, denkt het te weten: de Christus, gezalfde, de
Messias. Min of meer vertouwde woorden voor ons. Misschien herinnert
u zich dat deze term ‘messias’ in heel seculiere context opdook bij
de verkiezing van Obama. Messias, de Messias was voor Petrus en zijn
tijdgenoten, en blijkbaar nu nog, iemand die een grondige
verandering kon teweeg brengen; die hoop kon wekken door met woord
en daad te laten zien dat het leven anders moet, anders kan. En
Jezus had die hoop gewekt door taboes te doorbreken, hij toonde zijn
gezag over krachten waardoor mensen bezeten waren. Hij haalde
uitgerangeerde, uitgestoten mensen weer binnen het sociale leven.
Hij gaf hoop waar ziekte en dood het einde leek te zijn. Zo had hij
gedaan wat niet mogelijk leek. De droom realiseren van mensen die
het geluk buiten hun bereik dachten.
De droom
realiseren van goed leven. Het verlangen naar een beter, gezonder,
vreugdevoller, vrijer leven dichterbij brengen.
Petrus denkt het
begrepen te hebben, hij en zijn compagnons hebben het een jaar
misschien of – meer waarschijnlijk – drie jaar lang meegemaakt,
gezien en gehoord. “God” is geen vreemd woord gebleven, zijn macht
is tastbaar nabij gekomen. Nog even en het zal voluit doorbreken,
ondanks de argwaan, het verzet van huidige politieke en religieuze
machthebbers.
U bent de
Messias.
Jezus ontkent
niet wat Petrus zegt, geeft hem echter ook geen complimentje.
Daarvoor is het nog te vroeg. Messias ja! De vervulling van Gods
beloften al heel lang geleden gedaan, ja!
Maar hoe? Aan
die werkelijkheid zijn zijn leerlingen met hun gekissebis wie de
grootste is, met hun vragen om de beste plaatsen nog lang niet toe.
Zelf weet Jezus
maar al te goed hoe vreemd en onbenoembaar Gods werking is. De God
van zijn vaderen, de God van beloften, de God van toekomst die niet
gekend kan worden.
“En hij begon
zijn leerlingen te onderrichten”, steeds weer dat ‘hij begon…’.
Steeds weer die poging om onbegrip te doorbreken. Toch is aan hen
het mysterie van het Rijk gegeven. Het mysterie dat alle
voorstellingen van gelukkig en goed leven door elkaar schudt.
Schijnbaar
zullen de oudsten, hogepriesters, schriftgeleerden aan het langste
eind trekken. Veel lijden, verworpen en gedood worden zoals profeten
voor hem. Gods vreemde en onbenoembare werking!
Onbegrijpelijk,
niet voor te stellen. En weer is het Petrus die luidop te kennen
geeft wat in ieders hart, toen en steeds weer, opkomt: ‘Dat niet. Zo
niet!’
En dan schrijft
Marcus en daarmee geeft hij zijn intense bewogenheid weer: “Jezus
keerde zich om en keek zijn leerlingen aan”. De eenzame
‘Voorganger’, eenzaam voorop op zijn weg, een doodlopende weg tenzij
Gods ongekende mogelijkheden doorbreken. En dat zál gebeuren!
Wie mij wil
volgen…? Wie wil mij volgen, zichzelf verloochenen, zichzelf
verliezen? Als dit evangelische woorden zijn, dan moeten we ze
durven interpreteren, dan moeten ze iets anders kunnen betekenen dan
een keurslijf. Dan moeten ze ons in de soms zo warrige
werkelijkheden van ons leven richting kunnen geven.
Hoop, ondanks…
die hand wordt ons opnieuw gereikt. “Wie wil mij volgen”, ooit
gevraagd is het een vraag voor alle tijden, ook voor vandaag
geworden.
Als God eens
waar wordt. |