Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Marcus
5, 21 - 43

Door Tineke Renkema-Boersma, gehouden op 28 juni 2009

 

Wie is Hij toch?

 

Wie is Hij toch? Die vraag stelde de leerlingen zich vorige week, door grote schrik bevangen.

Hij is iemand, die zich in de nacht, in de storm toevertrouwt, zich geborgen weet en door zijn woord het zwijgen oplegt aan de krachten waaraan een mens ten onder dreigt te gaan. Nee, geen blind vertrouwen, maar juist in de nacht trouw aan de grondervaring dat een mens niet valt uit Gods hand.

 

Wie is Hij toch? Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik werd me ervan bewust dat het stellen van deze vraag sterk aan inflatie onderhevig kan zijn. Kan ik het een echte vraag laten zijn? Wees er even stil mee. Je kunt eigenlijk geen betere vraag stellen aan een ander dan: ‘Wie ben jij toch? Wat bezielt je nou echt?’

En tegelijkertijd besef je dat als je die vraag echt stelt, dat dat niet vrijblijvend kan zijn. Zo’n vraag stellen betekent dat je dan ook bereid bent je aan het antwoord te verbinden. Zo heb ik willen luisteren.

 

In ieder geval is Jezus iemand die een zeer grote aantrekkingskracht heeft. We lezen dat een hele menigte met eigen ogen wil zien wie die man is, die verkondigend en genezend rondtrekt.

En in die menigte wordt onze blik gericht op twee mensen, die ieder een gevecht leveren op leven en dood. Beiden de wanhoop nabij. Beiden staan op, gaan over een grens, overwinnen zichzelf en wagen zich aan de ontmoeting met Jezus.

 

Als eerste Jaïrus, een leider van de synagoge, een hooggeplaatste, die voor Jezus neervalt. Hij smeekt om het leven van zijn 12-jarige dochter, een meisje aan het begin van de volwassenheid, aan het begin van vruchtbaar leven, meer dood dan levend. Is ze te bang om de wereld van de volwassenheid in te gaan, omdat ze in haar jonge bestaan geen enkel vertrouwen heeft op kunnen bouwen?

En waar het vertrouwen ontbreekt, daar ben je aan de angst overgeleverd. Angst verlamt en doet je van alles en iedereen terugtrekken. Durven leven staat of valt met dat vertrouwen. Het is het fundament.

Jezus gaat met deze Jaïrus mee! Het staat er zo eenvoudig, maar het is allesbehalve vanzelfsprekend. Hij gaat mee in dit gevecht op leven en dood van deze Jaïrus ter wille van zijn dochter.

 

Onderweg is daar die vrouw, aan het einde van haar vruchtbaar leven. Ze voert al 12 jaar een steeds hopelozer strijd om te leven en ondanks al haar inzet (hoeveel heeft ze niet geïnvesteerd?), is ze alleen maar meer nog verloren. Ze mag niet aanraken en niet worden aangeraakt, want ze is onrein.

En waar een mens niet meer wordt aangeraakt gaat alle verbinding verloren, raakt iemand geïsoleerd en vervreemd.

Die dag is ze opgestaan. En tegen alle wetten in raakt ze hem in het verborgene aan. Wat raakt ze aan? Zijn mantel van liefde? Bij het maken van die verbinding is er het onmiddellijke herstel van vitaliteit. Maar dat is nog niet alles. ‘Wie heeft mij aangeraakt?’: Jezus roept haar uit het verborgene tevoorschijn. Hij vraagt haar zichzelf ter sprake te brengen.

En als een mens dat doet, woorden vindt voor wat hem innerlijk beweegt, dan kan het vertrouwen een bron worden om van te leven. Dochter ben je! Herstel van verbinding. Haar vertrouwen is gevoed door het vertrouwen van Jezus.

 

Ondertussen zijn er ook tegenkrachten in het spel. De leerlingen houden het bij wat hun fysieke ogen zien. De ogen van het hart zijn nog niet geopend. En een paar mensen komen naar Jaïrus toe en zeggen zoiets als: ‘Berust er maar in, Jaïrus: Je dochter is dood. Berust erin, geef het op. Wees verstandig: leg je erbij neer.’

Maar juist dat laat Jezus niet gebeuren: ‘Blijf vertrouwen Jaïrus. Blijf bij wat je net met eigen ogen hebt gezien, voorbij het verstandig weten. Ook al word je uitgelachen. Weg met die cynici. Je dochter kan niet leven zonder jouw vertrouwen. Vecht Jaïrus, vecht voor het leven! Ik blijf bij je! Ik ga je voor!’

 

En dan gaat hij voor: ‘Meisje sta op! Voed je vertrouwen aan mijn vertrouwen, aan Gods vertrouwen in jou. Voed je vertrouwen aan het feit dat dat je vader niet heeft willen berusten.’ En hij zei hun: Geef haar dat vertrouwen, geef haar zo te eten. Zo wordt dit kwetsbare vertrouwen in haar een bron om van te leven.

 

Wie is Hij? Wat bezielt hem? Er openden zich voor mij 3 lagen.

De 1ste laag: Hij gaat zonder aarzeling met ons mee in, wat ik maar even noem, ons leedgevecht, wanneer wij dat vragen. Hij verbindt zich. Hij laat zich door niets en niemand weerhouden en legt tegenkrachten het zwijgen op. Hij is iemand die met je is.

De 2de laag: De laag van het vertrouwen/geloven. Hij is iemand die door zijn vertrouwen (zelf tot het uiterste in zijn nacht beproefd) ons kwetsbare vertrouwen voedt. Hij haalt een mens uit het verborgene tevoorschijn.

De 3de laag: Wat is dan dat geloof, dat vertrouwen van Hem, dat tot voedsel is voor ieder die verlangt? Het is een geloof dat weigert te berusten in al wat dodelijk is, dat zich verzet tegen alles wat schijnbaar zonder zin is, dat weigert het lijden te aanvaarden wat onmenselijk is. Hij is een en al opstandigheid, een en al opstand, een en al opstaan. Hij leeft tegen de dood. Niet de natuurlijke dood, maar de dood als vernietigende kracht. De dood van het betekenisloze, zinloze bestaan.

Hij gelooft in die God, van wie de Wijsheid zegt: “De dood is niet door God gemaakt. God vindt geen vreugde in de ondergang van enig levend wezen. Hij heeft alles gemaakt om het te laten bestaan”.

 

Zo gaat hij ons voor. Heel zijn doen en laten getuigt van de God van leven, een God die niet laat varen wat zijn hand begon. In deze Naam mogen wij gemeenschap zijn, een ‘opstandige’ gemeenschap. Misschien is dat tegelijkertijd ook wel een stille gemeenschap, waar mensen op verhaal komen en wij in het grote verhaal van leven worden thuisgebracht.