|
|
Door
Nel van Cuijk,
gehouden op 8
maart 2009
Het is de hoogste tijd de berg op te gaan opdat de liefde kan
stromen
Op deze tweede zondag van de veertigdagentijd worden we tot twee maal toe
uitgenodigd om een berg te beklimmen. In de eerste lezing klimmen we
met Abraham en zijn zoon Izaak mee, in de tweede lezing met Jezus en
drie van zijn leerlingen.
De berg opgaan betekent in de Schrift altijd dat we aan
perspectiefwisseling gaan doen. Het is niet ongevaarlijk en als je
alles bij het oude wilt houden dan moet je niet meegaan. Op de berg
verandert alles, je kijk op de dingen, je kijk op jezelf, je kijk op
de ander en je kijk op God.
Misschien is dat wel de grootste proef die een mens moet doorstaan. Kun
je, durf je een ander zicht te krijgen op jezelf en op dat wat je
omringt? Maar ook durf je, kun je een ander zicht krijgen op dat wat
je tot nu toe als het heiligste en beste van jezelf, van je geloof,
van de ander hebt gezien? Voor Andries Knevel was en is het, denk
ik, een ongelofelijke beproeving geweest om afstand te doen van het
geloof dat God in zes dagen de wereld heeft geschapen. En toen hij
dat gedaan had viel half Nederland over hem heen. De beproeving was
toen nog niet afgelopen. Je kunt daar meewarig je schouders over
ophalen, zo van wie gelooft nu zoiets, maar dat wil ik niet doen. Je
zult maar zoals hij jaren en jaren je kinderen verteld hebben dat
het zo is met God en dan plotseling, of geleidelijk aan tot een
ander inzicht komen, en dat ook durven vertellen. Ik heb een
geweldig respect voor die man. Het lijkt mij net zoiets als Abraham
die echt gehoord heeft dat hij zijn zoon, zijn enige, zijn toekomst
moet offeren, en dat in opdracht van de God zoals hij die tot nu toe
heeft leren kennen –. als de Elohiem. Vervolgens komt na heel lang
luisteren, op het moment dat je alle hoop hebt opgegeven – je staat
met het mes al in je hand , het faillissement van je bedrijf of het
faillissement van je gemeenschap is op handen –, op het moment dat
het er op aan komt of je nog luistert, komt er een engel van de
Heer, komt er een boodschap van de engel van de Enige, van hem/haar
die zich heeft laten kennen als “Ik zal zijn die ik ben”. Abraham
hoort: ‘Abraham, doe je kind niets, snijd de toekomst niet af, offer
niet het mooiste van je leven; het geloof zit in het luisteren, het
luisteren naar dat wat je niet kunt horen, dat wat je niet aan kunt
horen. Je moet zo luisteren dat alle godsbeelden die je van huis uit
en langer gehoord en gezien hebt, afgebroken kunnen worden en de
toekomst weer vrij en open voor je ligt. Voor jou en voor wie na jou
komen.’
En dan Jezus met die drie steunpilaren zoals Paulus ze genoemd heeft. Ze
zien de twee groten van het geloof, van hun traditie: Mozes en Elia.
Ze zien Jezus veranderen in een licht dat onbeschrijfelijk is, in
een witheid die geen bleker ter wereld maken kan. Hun volgeling zijn
krijgt een push; ze beleven een piekervaring, even die flits, dat
inzicht van het kan misschien toch. Maar hun volgeling zijn heeft
hoogten en diepten die ze nog niet kennen. Vandaag de hoogte, de
dieptes zijn er al geweest en ze zullen nog komen, zoals we
duidelijk weten van Petrus.
En wij, worden wij uitgenodigd om de berg te beklimmen?
André van den Broek beschrijft een ervaring in een artikel in Volzin. Hij
leefde in een gemeenschap in Amerika, zeer geraakt door de man die
er mee begonnen was; hij werd een volgeling van het eerste uur, hij
bouwde eigenlijk de gemeenschap die ontstond mee op. Hij beschrijft
zijn ervaring als volgt: ‘De kaders werden steeds smaller, het ging
steeds meer wringen. Ik verloochende mezelf en kreeg een
groepspersoonlijkheid, een masker. Wie was ik nog? Dat
groepspersoonlijkheid worden werd gezien als een goed teken, want je
moest jezelf ontstijgen. Maar het voelde als nep, als schadelijk.
Het was een grote inwendige strijd, maar de scepsis heeft gewonnen.
Ook omdat het verlangen, de eros, steeds minder werd. Het kreeg geen
voedsel meer. In het begin doe je alles uit toewijding en liefde en
overgave maar later word het een mentaal commitment, je bent een
goede soldaat, een loyale volgeling, maar dan komt het niet meer uit
het hart’.
In de afgelopen jaren heb ik zelf dit soort dingen gezegd en ik heb velen
van jullie deze dingen ook horen zeggen – met andere woorden meestal
maar vanuit een soortgelijke ervaring. Sommigen zijn gegaan anderen
zijn gebleven. Maar recent heb ik iemand horen zeggen: ‘Is ons leven
hier samen nog bezielend, soms lijkt het dat ik mijn bezieling in
mijn werk vind en hier solidair ben, en ik wil dat niet, ik wil dat
ons leven, mijn leven samen met jullie ook bezielend is. En willen
jullie de verantwoordelijkheid wel delen. Zijn dat geen andere
woorden voor een mentaal commitment, een goede soldaat, een loyale
volgeling. Daar moeten we wel wat aan doen. Het is lijkt me de
hoogste tijd om de berg op te gaan. Als de dagorde van onze
gemeenschap de gebedsdiensten, het samen eten, en leven niet meer
werkt maar als nep aanvoelt dan moeten we er mee ophouden. Als de
structuur waar we voor gekozen hebben enkele jaren geleden geen
vreugde brengt dan moeten we er mee op houden. Als de gastvrijheid
als vermoeiend wordt ervaren en als een inbreuk op mijn eigen tijd
dan wordt daar niemand gelukkig van en moeten we iets doen.
Wat zou voor ons de berg opgaan voor betekenis kunnen hebben, ik bedoel
dan wat moeten we doen? Zouden we goede vragen kunnen vinden om aan
een onderscheidingsproces te kunnen beginnen? Hoe ziet de
gemeenschap eruit waar ik me aan wil geven, concreet in de praktijk
van alle dag? Deze veertigdagentijd zouden we kunnen gebruiken voor
bezinning, heel persoonlijk: waar wil ik me aan geven en
toevertrouwen nu in deze laatste of voorlaatste fase van mijn leven?
De leerlingen zijn de berg op gegaan met Jezus en wat ze te zien krijgen
zijn de grote mannen van het geloof, de oorsprongsmensen, de
oorsprongsverhalen. Daar moeten ze het mee doen, daar naar kijken en
luisteren om te ontdekken waar en hoe zij nu moeten gaan. Het zijn
er maar drie van de twaalf, het is niet voor iedereen, het is geen
democratische beweging die beweging van Jezus. Het vraagt je
helemaal. Het is leven in die paradox van ‘wie zijn leven niet wil
verliezen kan mij niet volgen en wie mij volgt zal een overvloed
hebben aan broers, zusters, vaders, moeders.’
André zegt: het onderscheidingspunt voor mij ligt hierin of er verlangen
blijft, verlangen is naar Gods aanwezigheid in mij; daar gaat het
om, niet om tot waarheid te komen maar opdat de eros, de liefde weer
gaat stromen. |