Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Marcus
9, 2 - 10

Door Nel van Cuijk, gehouden op 8 maart 2009

 

Het is de hoogste tijd de berg op te gaan opdat de liefde kan stromen

 

Op deze tweede zondag van de veertigdagentijd worden we tot twee maal toe uitgenodigd om een berg te beklimmen. In de eerste lezing klimmen we met Abraham en zijn zoon Izaak mee, in de tweede lezing met Jezus en drie van zijn leerlingen.

De berg opgaan betekent in de Schrift altijd dat we aan perspectiefwisseling gaan doen. Het is niet ongevaarlijk en als je alles bij het oude wilt houden dan moet je niet meegaan. Op de berg verandert alles, je kijk op de dingen, je kijk op jezelf, je kijk op de ander en je kijk op God.

Misschien is dat wel de grootste proef die een mens moet doorstaan. Kun je, durf je een ander zicht te krijgen op jezelf en op dat wat je omringt? Maar ook durf je, kun je een ander zicht krijgen op dat wat je tot nu toe als het heiligste en beste van jezelf, van je geloof, van de ander hebt gezien? Voor Andries Knevel was en is het, denk ik, een ongelofelijke beproeving geweest om afstand te doen van het geloof dat God in zes dagen de wereld heeft geschapen. En toen hij dat gedaan had viel half Nederland over hem heen. De beproeving was toen nog niet afgelopen. Je kunt daar meewarig je schouders over ophalen, zo van wie gelooft nu zoiets, maar dat wil ik niet doen. Je zult maar zoals hij jaren en jaren je kinderen verteld hebben dat het zo is met God en dan plotseling, of geleidelijk aan tot een ander inzicht komen, en dat ook durven vertellen. Ik heb een geweldig respect voor die man. Het lijkt mij net zoiets als Abraham die echt gehoord heeft dat hij zijn zoon, zijn enige, zijn toekomst moet offeren, en dat in opdracht van de God zoals hij die tot nu toe heeft leren kennen –. als de Elohiem. Vervolgens komt na heel lang luisteren, op het moment dat je alle hoop hebt opgegeven – je staat met het mes al in je hand , het faillissement van je bedrijf of het faillissement van je gemeenschap is op handen –, op het moment dat het er op aan komt of je nog luistert, komt er een engel van de Heer, komt er een boodschap van de engel van de Enige, van hem/haar die zich heeft laten kennen als “Ik zal zijn die ik ben”. Abraham hoort: ‘Abraham, doe je kind niets, snijd de toekomst niet af, offer niet het mooiste van je leven; het geloof zit in het luisteren, het luisteren naar dat wat je niet kunt horen, dat wat je niet aan kunt horen. Je moet zo luisteren dat alle godsbeelden die je van huis uit en langer gehoord en gezien hebt, afgebroken kunnen worden en de toekomst weer vrij en open voor je ligt. Voor jou en voor wie na jou komen.’

En dan Jezus met die drie steunpilaren zoals Paulus ze genoemd heeft. Ze zien de twee groten van het geloof, van hun traditie: Mozes en Elia. Ze zien Jezus veranderen in een licht dat onbeschrijfelijk is, in een witheid die geen bleker ter wereld maken kan. Hun volgeling zijn krijgt een push; ze beleven een piekervaring, even die flits, dat inzicht van het kan misschien toch. Maar hun volgeling zijn heeft hoogten en diepten die ze nog niet kennen. Vandaag de hoogte, de dieptes zijn er al geweest en ze zullen nog komen, zoals we duidelijk weten van Petrus.

En wij, worden wij uitgenodigd om de berg te beklimmen?

André van den Broek beschrijft een ervaring in een artikel in Volzin. Hij leefde in een gemeenschap in Amerika, zeer geraakt door de man die er mee begonnen was; hij werd een volgeling van het eerste uur, hij bouwde eigenlijk de gemeenschap die ontstond mee op. Hij beschrijft zijn ervaring als volgt: ‘De kaders werden steeds smaller, het ging steeds meer wringen. Ik verloochende mezelf en kreeg een groepspersoonlijkheid, een masker. Wie was ik nog? Dat groepspersoonlijkheid worden werd gezien als een goed teken, want je moest jezelf ontstijgen. Maar het voelde als nep, als schadelijk. Het was een grote inwendige strijd, maar de scepsis heeft gewonnen. Ook omdat het verlangen, de eros, steeds minder werd. Het kreeg geen voedsel meer. In het begin doe je alles uit toewijding en liefde en overgave maar later word het een mentaal commitment, je bent een goede soldaat, een loyale volgeling, maar dan komt het niet meer uit het hart’.

In de afgelopen jaren heb ik zelf dit soort dingen gezegd en ik heb velen van jullie deze dingen ook horen zeggen – met andere woorden meestal maar vanuit een soortgelijke ervaring. Sommigen zijn gegaan anderen zijn gebleven. Maar recent heb ik iemand horen zeggen: ‘Is ons leven hier samen nog bezielend, soms lijkt het dat ik mijn bezieling in mijn werk vind en hier solidair ben, en ik wil dat niet, ik wil dat ons leven, mijn leven samen met jullie ook bezielend is. En willen jullie de verantwoordelijkheid wel delen. Zijn dat geen andere woorden voor een mentaal commitment, een goede soldaat, een loyale volgeling. Daar moeten we wel wat aan doen. Het is lijkt me de hoogste tijd om de berg op te gaan. Als de dagorde van onze gemeenschap de gebedsdiensten, het samen eten, en leven niet meer werkt maar als nep aanvoelt dan moeten we er mee ophouden. Als de structuur waar we voor gekozen hebben enkele jaren geleden geen vreugde brengt dan moeten we er mee op houden. Als de gastvrijheid als vermoeiend wordt ervaren en als een inbreuk op mijn eigen tijd dan wordt daar niemand gelukkig van en moeten we iets doen.

Wat zou voor ons de berg opgaan voor betekenis kunnen hebben, ik bedoel dan wat moeten we doen? Zouden we goede vragen kunnen vinden om aan een onderscheidingsproces te kunnen beginnen? Hoe ziet de gemeenschap eruit waar ik me aan wil geven, concreet in de praktijk van alle dag? Deze veertigdagentijd zouden we kunnen gebruiken voor bezinning, heel persoonlijk: waar wil ik me aan geven en toevertrouwen nu in deze laatste of voorlaatste fase van mijn leven?

De leerlingen zijn de berg op gegaan met Jezus en wat ze te zien krijgen zijn de grote mannen van het geloof, de oorsprongsmensen, de oorsprongsverhalen. Daar moeten ze het mee doen, daar naar kijken en luisteren om te ontdekken waar en hoe zij nu moeten gaan. Het zijn er maar drie van de twaalf, het is niet voor iedereen, het is geen democratische beweging die beweging van Jezus. Het vraagt je helemaal. Het is leven in die paradox van ‘wie zijn leven niet wil verliezen kan mij niet volgen en wie mij volgt zal een overvloed hebben aan broers, zusters, vaders, moeders.’

André zegt: het onderscheidingspunt voor mij ligt hierin of er verlangen blijft, verlangen is naar Gods aanwezigheid in mij; daar gaat het om, niet om tot waarheid te komen maar opdat de eros, de liefde weer gaat stromen.