Preken: Marcus
1, 29 - 39
Door Niek Werkoven, gehouden op
8 februari 2009
Vertrouwen op God brengt nog geen
aards paradijs!
Dat zou ik
antwoorden als mij gevraagd zou worden wat ik meeneem vanuit dit
evangelie. Daarmee zeg je natuurlijk niets nieuws, niets
verrassends. Dat zal dan wel, maar zo langzamerhand begin ik te
leren dat het er om gaat wat je al lang weet, wat je al honderd keer
gehoord hebt, beter te leren kennen, te onderkennen, te ervaren. God
vertrouwen, of zoals de Schrift dat zegt: hem vrezen en zijn wegen
gaan, hem liefhebben met heel je hart en met al je krachten. God
liefhebben… een God die we ons niet kunnen voorstellen, waar we ons
geen beeld van mogen vormen en dan toch…. liefhebben?
En wat het Oude of Eerste testament zo zegt, vertelt ook het
evangelie, ook dit evangelie dat we net hoorden. Het vraagt wel wat
verbeeldingskracht om van het toen naar het nu te komen. Maar is dat
niet iets waar we dagelijks tegen aan lopen? Wil ik een ander
verstaan dan moet ik ruimte scheppen in mijzelf. Wel weten wat ik
wil en verlang, en tegelijk dat weten en verlangen openhouden.
Marcus vertelt zijn verhaal, zijn
verhaal over Jezus, over de God van Jezus, op een heel bondige
manier. Het is alsof hij geen geduld heeft om details te belichten.
Met een vaart probeert hij ons bij de kern van zijn overlevering te
brengen. Meteen dit, meteen dat, en toen en toen…het is opletten
geblazen. Na de opschudding die Jezus teweeg brengt in Kafarnaüm,
gaat hij naar het huis van Simon en treft daar een zieke
schoonmoeder van Simon aan. Wie zij is, wat de ernst van haar ziekte
is, het doet er blijkbaar weinig toe. Jezus reikt haar de hand en
doet haar opstaan. Een goede luisteraar kan hier ‘meteen’ horen waar
het de evangelist om te doen is: neerliggen en opstaan. Met ander
woorden: de korte geloofsbelijdenis zoals Paulus die verwoordt in de
brief aan de Korintiërs: Ik heb jullie doorgegeven wat ikzelf als
overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor
onze zonden, volgens de schriften en dat hij begraven is en
opgestaan op de derde dag….”.
Daar gaat het om, vanaf het eerste
begin. Een begin van wat…? Marcus laat dit doorschemeren in dat
laatste zinnetje: zij stond hen te dienste. Geen stoplapje om
deze vrouw te tekenen met schort aan de aanrecht. Nee, hij gebruikt
hier hetzelfde woord als op het einde van zijn verhaal over Jezus´
beproevingen in de woestijn. Veertig dagen in de woestijn is hij
daar temidden van wilde dieren, maar, goddank zijn er ´engelen´ die
hem ten dienste staan.
Wie het vatte kan die vatte het!
Goed, deze genezing veroorzaakt wel
beweging: als de sabbat voorbij is, ook al wordt het donker, stroomt
het volk samen. En Jezus geneest zieken en vooral drijft hij demonen
uit. Dat laatse is misschien voor onze oren een vreemde taal. We
weten in onze tijd zoveel meer over de psyche van de mens en over de
krachten die daarin werkzaam zijn, dat we daar geen woord als
‘demonen’ meer voor gebruiken. Toendertijd ervaarde men ook wel
degelijk het vreemde gebied van die krachten. Krachten die een mens
volledig in de greep kunnen hebben.
Ja zeker, het kunnen krachten zijn
die een mens boven zich uit kunnen tillen ten goede, om het leven te
leiden naar vrede en welzijn. Maar diezelfde krachten kunnen zich
ook tegen het goede leven keren, een leven ten koste van anderen.
Wie, hoe is God als bron van leven,
als bron van deze krachten en machten? Wat is dat om in zijn Geest,
de heilige volstrekt ándere geest, te leven?
En dan licht Marcus een tipje van de
sluier op. Jezus trekt zich voor dag en dauw terug op een eenzame
plek, terug naar de ´woestijn´, en bidt daar. En we weten wat voor
hem bidden betekent: Vader zeggen, God als persoon aanspreken,
aanroepen met de bewogenheid om zijn Naam te heiligen, zijn wil te
laten gebeuren.
En dit gebed telkens weer geleerd in
al die verschillende omstandigheden en situaties van het concrete
leven. Afstand bewaren ruimte scheppen, in het vragende,
verlangende, soms zo eisende, want angstige ik.
Vanuit dit gebed onderkent Jezus
zijn ‘beproeving’: hij kán mensen genezen, hij hééft het vermogen om
mensen gelukkig te maken. Toch is dat óók zijn beproeving. Gaat hij
op dit vermogen in dan is succes verzekerd, dan is hij de gevierde
held. Maar dit gaat dan wel ten koste van de eigen
verantwoordelijkheid van de mensen. Jezus eerste opgave is de roep
te laten klinken: Keer om en geloof in de blijde boodschap.
Met andere woorden: staar je niet blind op wat er feitelijk is maar
neem dat op in vertrouwen. Een vertrouwen op de Ene God ondanks alle
krachten en machten die er opspelen in onze leefwereld. Een
vertrouwen dat geen begrip is, geen systeem van waarheden waar alle
situaties in geperst moeten worden, maar dat al doende geleerd moet
worden.
Een vertrouwen dat een mens boven
zichzelf uittilt om creatief te zijn waar uitzicht ontbreekt, waar
alles tegenzit, waar de realiteit zich hard en onverbiddellijk
voordoet.
Een geloof en een vertrouwen op
leven ondanks alles. Woorden die ik, die iedereen, betekenis moeten
geven, die steeds geleerd en gedaan moeten worden. We weten wel dat
Jezus doorstaan heeft dat hem met spot en hoon toegeroepen werd
`Anderen heeft hij gered, laat hem nu zichzelf redden´… Zover
zou het kunnen gaan.
Nu, op de dag van vandaag bieden wij
ons brood en wijn aan opdat we die gaven onder het aanroepen van
zijn naam terug kunnen ontvangen als voedsel van heilige Geest.
Heilige Geest die in dat kleine en beperkte van ons leven ´demonen´
uitdrijft en het goede tot stand brengt. Vertrouw dit verhaal,
vertrouw deze roep van Jezus toen en nu. Dat zeg ik op de eerste
plaats tegen mezelf, maar wens het u allen toe!
|