|
|
Preken: Marcus
1, 1 - 8
Door Tineke Renkema, gehouden op 7 december 2008
Een nieuwe honger en een nieuwe dorst
Troost, troost mijn volk.
Het
volk dat dit woord van God uit de mond van de profeet hoort is in
ballingschap, vervreemd van zijn wortels, moedeloos vanwege de
gedachte nooit meer thuis te zullen komen. Dat staat niet ver weg
van onze eigen tijd, die vol van vervreemding is, waarin het
grootste lijden, het lijden is wat wij elkaar aandoen: niet te
begrijpen groot geweld, maar ook subtiel geweld, waardoor diegene
die het ondergaat niet meer kan geloven er te mogen zijn.
Troost, troost mijn volk
Kenmerk van deze troost, van dit woord van God dat door de wereld
gaat, dat door de eeuwen gaat, is dat het de pijn, het lijden niet
wegneemt, maar mensen wil vitaliseren en bemoedigen. Troost, dat er
een weg kan worden gegaan uit de vervreemding. Troost neemt de pijn
niet weg, maar stelt de belofte van God om te bevrijden ons opnieuw
voor ogen.
Troost stelt opnieuw de belofte van God centraal.
Troost, troost mijn volk.
Ik
denk dat het een heel belangrijk signaal is als deze woorden ons
niet meer raken, ons niet innerlijk bewegen. Want dat wil zeggen,
dat we opgehouden zijn, om wat voor reden dan ook, om te zoeken en
te verlangen naar een weg van meer heil. Woorden van troost kunnen
ons niet meer raken als ons leven overleven is geworden.
Het eerste waar
het op aan komt is, dat wij weer ‘een nieuwe honger en een nieuwe
dorst’ (een begrip van de theoloog E.Drewermann) moeten leren.
Een
‘nieuw honger een nieuwe dorst’ leren in deze adventstijd om open te
komen voor een nieuw begin, voor wat op ons toekomt.
De evangelist
Marcus getuigt van zo’n nieuw begin van God in een mens. De
evangelist laat niet zozeer woorden van troost horen, maar hij
verkondigt iemand, die de troost zélf was, doordat deze mens Jezus
op allerlei manieren mensen bemoedigde om de weg van heil te gaan.
Marcus wil ons het verhaal vertellen van een mens die door pijn en
lijden heen die belofte van God centraal bleef stellen. Het verhaal
van deze mens, dat je zou kunnen samenvatten in een paar woorden:
Liefde tot het uiterste beproefd. Liefde tot het uiterste
volgehouden. Dat is evangelie! Een mens die de weg is naar God door
deze volgehouden liefde en zo die weg opent voor iedere mens.
Bij
mij riep het de vraag op: Ben ik, zijn wij eigenlijk ontvankelijk
voor deze boodschap van heil? Maakt deze boodschap verbinding met
ons vragen, met ons verlangen? Is ons verlangen open, bereikbaar? Zo
vanzelfsprekend is dat niet. Vraag maar eens aan de ander, aan
jezelf: Wat verlang je eigenlijk echt? Naarmate we meer van alles en
nog wat zijn voorzien, dreigt ons verlangen verloren te gaan. En dat
is ernstig, want als er geen verlangen is naar een betere wereld,
geen verlangen naar een gemeenschap die onderweg blijft, zal ik niet
de mogelijkheden aangrijpen om me daarvoor in te zetten.
Hoe
worden wij toch teruggebracht naar een ‘nieuwe honger en een nieuwe
dorst’, zodat wij open komen voor een nieuw begin, want dat is toch
waarvoor deze Adventstijd ons wordt gegeven.
Het
is niet voor niets in de woestijn, die plaats bij uitstek van
onontkoombare leegte en gemis, dat er een stem klinkt, een stem die
het verlangen aanspreekt.
Het is de stem van
Johannes. De evangelist Marcus ziet in zijn optreden het woord van
de profeet Jesaja gebeuren: de weg vrij maken voor het komen van
God. Johannes doet dit door mensen op te roepen zich te laten dopen,
tot inkeer te komen en zo vergeving te ontvangen. Het is zijn
overtuiging dat als mensen zich hieraan overgeven, en dat is wat de
méns kan doen, het verlangen open springt. Open voor dat nieuwe
begin van God uit, open voor het komen van die mens op wie de Geest
van God rust. Met zijn roep, die klinkt in de woestijn baant
Johannes de weg voor diegene die na hem komt en zal dopen met
Heilige Geest, die adem van Gods liefde.
Het
is niet voor niets in de woestijn, die plaats bij uitstek van
onontkoombaar leegte en gemis, dat er een stem klinkt die het
verlangen wekt, die de hoop doet herleven. Woestijntijd, crisistijd
in het leven van de mens draagt de mogelijkheid in zich van een
nieuw begin, omdat heel de mens dan uitstaat naar bevrijding,
verlossing.
Uitstaan naar bevrijding en verlossing, uitstaan naar een nieuw
begin van God uit, vraagt dat ik word teruggebracht naar een
verlangen, dat in onze westerse wereld, hier en nu te vaak
ondergronds gaat, wanneer ik ten onrechte berust en genoegen neem
met dat het wel goed is en daarbij mijn ogen sluit voor honger en
dorst op welke manier dan ook, waar dan ook. Verlangen dat
ondergronds gaat omdat we de beproeving niet doorstaan van het nog
niet, weer niet, toch niet, zal het wel ooit, van zinloosheid.
Verlangen dat ondergronds gaat omdat wij, als het water ons niet aan
de lippen staat, zo moeilijk kunnen erkennen, dat wij onszelf niet
kunnen redden, hoe goed we het ook voor elkaar hebben, dat wij het
heil niet zelf kunnen bewerken, dat wij deze gemeenschap niet zelf
tot plaats van heil kunnen maken.
Dit
inzien, hiervoor vergeving vragen en me opnieuw aan het doopsel van
Johannes overgeven, maakt de weg naar God open, maakt de weg vrij
voor het uitzien en gehoor geven aan die mensen die in het spoor van
Jezus Gods Geest in zich dragen. Uitzien naar, wachten op, open
komen voor die Geest, die mij onrustig houdt, het verlangen gaande,
en die mij doet hopen en mij de liefde leren zal. In het opnieuw
open gekomen verlangen is al iets van God uit aanwezig. Dat is voor
mij Advent 2008.
|