Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 12, 35 - 37

Door Leonie van Straaten

In kracht gesteld?

Een kort en lastig stukje evangelie als je dit zo vanavond op zichzelf staand hoort.
Maar we hoorden deze week wat er aan vooraf ging: we weten dat heel hoofdstuk 12 a.h.w. een krachtmeting is tussen Jezus en zijn tegenstanders, de hogepriesters, de Schriftgeleerden, de Farizeeën, de Herodianen. Die ene schriftgeleerde die wel met Jezus in gesprek raakt -dat hoorden we gisteren - en waar iets van wederzijdse herkenning gebeurt is een uitzondering.
Door alle ontmoetingen en twistgesprekken heen dringt zich steeds meer de vraag op wie hij in wezen is. Heel hoofdstuk 12 gaat om het wel of niet verstaan van zijn persoon en van zijn boodschap.
Wat kan ons dit fragment hierover zeggen?
Jezus gaf onderricht in de tempel. Leerde hij aan hen of las hij hen de les?
De Messias de zoon van David! Hoe komen de Schriftgeleerden erbij? In welke zin zeggen zij dit? Een vraag waarop we geen antwoord krijgen, we weten niet eens of er wel schriftgeleerden bij waren op dat moment.
Waarom stelt Jezus een vraagteken bij deze titel?
Enerzijds roept deze titel de figuur van David in het licht: een man naar Gods hart, een gezalfde - koning en profeet. Een man die sprak en handelde uit kracht van de heilige geest. Dat hij in deze lijn staat, van Davidische afstamming is, dat ontkent hij niet. Ook de blinde Bartimeüs, die hem tot twee keer toe roept als Messias, zoon van David, geeft hij gehoor. Hij geneest Bartimeüs op grond van zijn geloof en vertrouwen. Hij gaat dan wel op deze titel in.
Anderzijds roept de titel Messias reserve op. Want de Messias zoals de Schriftgeleerden verwachten zal niet alleen het volk bevrijden, maar deze Messias zal het volk ook van de heidenen zuiveren door hen te vernietigen. Een duidelijk politieke kleur waarmee Jezus zich niet wil laten associëren.

Deze tweeledige houding van Jezus zet niet alleen een vraagteken achter deze titel, maar ook achter zijn persoon: wie is hij toch? Hijzelf citeert David uit psalm 109:
"De Heer heeft gezegd tot mijn heer." In de mond van Jezus klinkt dit als een uitspraak over hemzelf: De Messias is niet de zoon van David maar zijn héér. Zoon van mensengeschiedenis en Zoon van God.
Hij is wel een van ons, maar niet een van de velen, las ik bij Wim Weren. En als we dit serieus menen, zegt het direct iets uit over ons. Dat wij willen zijn, wij geloven te zijn zoals hij. De vraag "Wie is hij " krijgt in ons en door ons die nu leven opnieuw antwoord.

Wat zeggen we dan? Voor mij betekent dit in deze tijd na Pinksteren dat ik me bewust ben van Jezus' daadkracht. Daadkracht in die zin dat Jezus altijd in communicatie was, met de Vader, met de leerlingen, met de vrouwen, met de lamme en de blinde. Dit is zo intens vertelt, dat het mij ervan overtuigt dat dit de weg is, kan zijn, om verbond te leven. Altijd open voor communicatie zijn. Als een houding, een intentie. Soms vraagt dat luisteren, stilte, soms juist om te spreken.
Dat zie ik ook in ons dagelijks leven. Of je nu vanwege de verhuizing van kantoor geconfronteerd wordt met nieuwe en onverwachte vragen, of je in een nieuwe samenstelling als bestuur rond de tafel zit, of dat je in het dagelijks werk een lastige klus te doen hebt,- ieder mens staat keer op keer voor de drempel om te communiceren. Om niets onuitgesproken te laten wat toekomst in de weg staat.
We zijn in kracht gesteld om deze weg te gaan, in geloof. We zeggen immers: geloofsontmoeting! Communicatie waarin en waardoor God ter sprake komt en gebeuren kan.
Daar past dan wel in mijn ogen een tikje bescheidenheid, omdat ik me heel goed realiseer dat ik gezond en vrij hier sta te spreken, op dit moment persoonlijk niet belast met grote zorgen. Maar deze weg keert ons niet af van de wereld van angst en oorlog en ziekte, nee, ze leidt er naartoe, het is omwille van die wereld dat wij kiezen deze weg te gaan- om haar te dragen en te redden in het klein en zo door onze bijdrage ooit in het groot. In dat geloof mogen we denk ik juist onbescheiden zijn!