|
Preken: Marcus 13, 24 - 32
Door Tineke Renkema, gehouden op 19 november
2006
God, die niet laat varen het werk dat zijn hand begon
In de
christelijke spiritualiteit speelt het einde een belangrijke rol.
De
bijbel verhaalt ons niet voor niets niet alleen over oorsprong en
begin, maar juist ook over einde. Aan het einde van het kerkelijk
jaar worden wij door de beide lezingen hieraan herinnerd. Hoe leven
wij mensen toch met het einde, met eindtijd?
Is er iets wat ons richting kan geven om ermee te
kunnen léven, in plaats van onze ogen te sluiten voor die
werkelijkheid van het einde of door te worden overvallen door een
grote zinloosheid.
De
afgelopen weken zijn wij de weg gegaan met Jezus en zijn leerlingen
op weg naar Jeruzalem en in Jezus is terwijl hij die weg ging, het
besef gegroeid, een innerlijk weten, en dat heeft hij met zijn
leerlingen gedeeld, dat hem een gewelddadige dood te wachten staat,
maar ook dat dát het einde niet is.
Zodra
Hij aangekomen is in Jeruzalem zijn er felle confrontaties met
hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeën, waarbij Jezus het
tempelgebeuren ontmaskert als schijngeloof.
Aan
het begin van dit hoofdstuk ziet Hij voor zich dat deze tempel, dit
centrum van gelovig leven, heel dit verstard, gestold geloof, zal
worden afgebroken. Geen steen zal op de andere blijven.
Schokkend, want voor een jood is de ondergang van de tempel het
einde van alles, eindtijd.
Iets
daarvan is misschien na te voelen als wij ons voorstellen dat onze
plaats van gebed zou verdwijnen. Zouden wij dat dan niet beschouwen
als het einde van deze gemeenschap als oefenplaats van gelovig
leven? Als einde van mijn droom, onze droom, wellicht overmand door
gevoelens van zinloosheid, door gedachten over het voor niets onze
inzet te hebben gegeven? Einde verhaal.
Eindtijd: Jezus die zijn eigen dood onder ogen ziet, de ondergang
van de tempel voor zich ziet én ziet hoeveel er nog zal worden
geleden. En Jezus leert zijn leerlingen, ons: Ook wij zullen niet
aan dit lijden ontkomen, op welke manier zich dat ook aandient. Als
het dan niet in de vorm is van natuurrampen, hongersnood en
oorlogen, waarover Jezus in het begin van dit hoofdstuk spreekt en
waarvan wij hier en nu dagelijks de beelden zien, waarvan wij het
leed ons nauwelijks kunnen voorstellen, dan wel dient dit lijden
zich voor ons aan in persoonlijke ervaringen van nacht en duister,
van doodlopende wegen, van dood. Allemaal gezichten van het einde,
waaraan ook wij in ons leven niet kunnen ontkomen.
Hoe
kunnen wij met open ogen naar deze werkelijkheid kijken zonder alle
hoop te verliezen, in doemdenken te vervallen of zonder ons te
beschermen door een pantser van onverschilligheid?
Wat
stelt Jezus eigenlijk in staat om met open ogen naar deze pijnlijke
realiteit van het einde te kijken? Wat is het geheim, waardoor Hij
ons nog steeds voor ogen staat, al eeuwen lang?
Wanneer alles duister is, geen zon, geen maan,
geen sterren, dán zal de mensenzoon komen, zo horen we Hem vandaag
tegen zijn leerlingen zeggen.
Jezus
leeft met de werkelijkheid van lijden en dood, met het einde voor
ogen, maar tegelijkertijd met een ander perspectief. Het perspectief
van een belofte, van de mens, die komen zal, een mens, mensheid,
naar Gods beeld en gelijkenis.
Uit
zijn mond klinkt op het dieptepunt van zijn lijden ‘mijn God, mijn
God, waarom hebt Gij mij verlaten’ en ik heb, nu ik met deze preek
bezig was, nooit eerder zó beseft hoezeer Jezus met deze schreeuw
protest aantekent tegen dit lijden, dit lijden wat Hem wordt
aangedaan en daarin opgenomen al het lijden wat mensen elkaar
aandoen. Waar eerder in deze woorden van Jezus voor mij het accent
lag op de diepe verlatenheid, peilloze eenzaamheid, en dat blijft
voor mij ook staan, zag ik nu dat Hij zelf deze schreeuw geworden
is, totale belichaming van dit verzet tegen het kwaad.
Dit protest is een verdichting van hoe hij heeft
geleefd. Zó vertrouwt Hij zich toe aan God, die God, die nooit laat
varen het werk dat zijn hand begon. Juist ín die schreeuw is er de
trouw aan die belofte. Juist díe overgave in de nacht, maakt dat het
einde het einde niet is. Zo staat Hij mij nu, eeuwen later, voor
ogen.
En ik besef: Niets in het christelijk geloof is
zo sterk als het geloof dat het einde het einde niet is. Niets is zo
sterk als je leven zo in te richten dat je zélf met alles wat je
bent je verzet tegen het lijden. En waar de nacht zich aandient, je
daarin toe te vertrouwen aan de belófte dat God niet laat varen het
werk dat zijn hand begon.
De
morgen komt zegt de wachter, maar nog is het nacht.
We dragen een belofte in ons. Geloven is uitstaan
naar die belofte, die belofte proberen gestalte te geven, niet
wetend wanneer de morgen komt. ‘Niemand weet wanneer die dag of dat
moment zal aanbreken’, want zo klinkt een cantate van Bach: Gods
tijd is de allerbeste tijd. Gods tijd is de allerbeste tijd: Is daar
iets over te zeggen? Misschien dit: Het is de tijd die van doen
heeft met of ergens al de wereld daagt, waar mensen waardig leven
mogen en elk Zijn Naam in vrede draagt. Dan weet je dat de zomer in
aantocht is.
En wat is dan de dragende grond van dit alles, om
zo met het einde te kúnnen leven? De liefde. Alleen het je geliefd
weten. Het besef dat God u en mij heeft gewild, dat u ertoe doet,
dat ik ertoe doe, om niet. Alleen dat aanvaarden, alleen dat geloven
doet ons uiteindelijk ontsnappen aan het einde als een einde
voorgoed.
Hij zal zijn belofte gestand doen, ons liefhebben
en wij zullen leren léven.
Mag
het ons bemoedigen.
|