|
|
Preken: Marcus 12, 38 - 44
Door Jan Rooijakkers
De arme weduwe en de Profeet
Ja, twee vrouwen,
twee weduwen, zijn vandaag als het ware het glas-in-lood-raam,
waardoor iets hier onder ons vandaag naar binnen kan en moet
schijnen. En aan de andere kant, Nel, horen er ook nog twee mannen
bij: Elia en Jezus. Ik denk en hoop dat ze samen toch iets laten
zien. Ik hoop althans dat we het samen kunnen zien.
Op de eerste
plaats vermeld ik die twee vrouwen, die twee benadeelde mensen,
weduwen, van wie de helft is afgesneden. Zij hebben hun man, hun
kostwinner verloren. Hun inkomen is weg en hun maatschappelijke
status in de situatie van toen is geminimaliseerd, denk ik. Het zijn
twee mensen, die handelen, die iets doen, die geven wat ze hebben,
die meer geven dan ze eigenlijk kunnen, die datgene geven waarvan
wij in onze situatie normalerwijze zouden zeggen dat we het voor ons
leven nodig hebben. Misschien zijn die twee vrouwen pretentieloos
geworden. Ze draaien ook niet om de feiten heen en zijn zichtbaar
weduwen en arme mensen. Ze houden niets op en lijken wel een beetje
met geven en delen vertrouwd geraakt te zijn daar in Sarepta en in
Jeruzalem. In elk geval lijken ze, zoals het hier op ons afkomt,
niet alleen arm te zijn, maar ook losgeraakt van carrière of bezit
of vergaren, een beetje anders. Hun leven is wat gereduceerd of
geconcentreerd geraakt, denk ik hier, op de dingen die echt de
moeite waard zijn, op iets waarvan ze toch nog zeggen "dat is de
moeite waard; dat doe ik dan". Ze zijn puur geworden door het leven.
Het had ook anders gekund. Ze hadden ook bittere, verbeten mensen
kunnen worden. Kijk maar om je heen. Door klappen en door schade en
schande in je leven word je niet per se wijs, maar het kán. We zien
het gebeuren. Het is een keuze, een soort crisis die scheidt, als je
iets meemaakt in het leven. Het kán dus; het wordt ons getoond.
Nu die twee mannen, Elia en Jezus, je weet wel,
die twee uit dat verhaal op de berg, waar Elia met Mozes aan Jezus
verscheen en waar Jezus voelde dat Hij ook een profeet moest zijn
zoals die Elia (zoiets moet daar althans gebeurd zijn).
Die Elia komt in
een vreemde stad, en dan staat er geschreven in het vers dat
voorafgaat aan de lezing uit 1Kon van vandaag: "De Heer gebiedt hem
naar de weduwe te gaan." Misschien zouden wij iets zeggen in de
geest van "iets trok hem daar naartoe". In ieder geval deed hij het.
Hij had een beter pension kunnen uitzoeken, denk ik, als het huis
van die doodarme vrouw. Daar vraagt hij om brood en drinken. En voor
die Elia gebeurde er ook iets, denk ik. Hij is geraakt door wat hij
zag, reageerde er op zijn manier op en is er meer profeet aan
geworden. Dit vindt plaats twee verzen voordat hij begint met die
vuurproef uit zijn leven – wellicht herinnert U zich nog, dat
verhaal bij Achab met die stieren op die stenen met dat water. Dat
is precies wat hier gebeurt bij die weduwe: hij is er profeet aan
geworden. Er is ook met hem iets gebeurd door zo op die vrouw in te
gaan. Het durven vragen is hier misschien niet zozeer het punt, maar
wel het aannemen van het antwoord en het zo te doen en vervolgens te
zien wat God dan doet en wat er dan gebeurt, namelijk dat het brood
níét opraakt en dat je meer kunt wagen dan wat je uit kunt rekenen.
Jezus, die andere
man, zit in de tempel. Ik weet niet precies hoe Hij er zit, maar in
ieder geval zit Hij er niet gestresst. Ook weet ik niet waarom Hij
nou precies bij die offerkist gaat zitten, maar Hij zit er en kijkt
en ziet hoe menig mens daar iets offert. En plotseling wordt Hij
geraakt door die ene, niet zo opvallende persoon, die vrouw die geen
klinkende munt, maar alleen maar een klein centje in de offerkist
werpt. Dan roept Hij zijn leerlingen en zegt: "Dat is nou degene die
eigenlijk echt iets gedaan heeft." Jezus – en dat is hier ook niet
toevallig – zal 48 uur later in Gethsemane voor Kaifas en voor
Pilatus staan. Het speelt zich af in die laatste dagen van zijn
leven. Hij vindt daar het woord, waar Hij naderhand van leeft. Dat
profeet zijn van Jezus gaat ook niet zomaar vanzelf. "Zij gaf alles
waarvan zij leven moest", dat is wat Hij zegt en dat is wat Hij
daags daarna doet, puur geworden door het leven, meer profeet
geworden door te kijken en te luisteren en het leven op het spoor te
komen.
Ik denk dat er meerdere wegen zijn om wijs te
worden, om profeet te worden, om de weg te vinden voor jouw en mijn
leven, om samen iets te vinden. We zien hier twee heel verschillende
wegen. De ene weg is die van het leven laten gebeuren en ervan
leren, er goed mee omgaan en de goede beslissingen en conclusies
erop baseren. De andere weg is kijken wat er gebeurt – "Ik ben jouw
kijkend kind" hebben we net gelezen -, kijken hoe klappen in het
leven gebeuren en hoe mensen ermee omgaan. Weet je te laten raken
door waar God zich laat zien, kijk door de kieren, de gleuven en de
scheuren tussen mensen, kijk en doe er iets mee, leef ervan en wacht
niet tot je zelf de klappen krijgt. Ik denk dat die beide elementen
in ieders leven gebeuren, maar ik zie dat Elia en Jezus hun kracht
niet alleen maar uit zichzelf puren of door God gestuurd zijn, doch
moeten kijken wat er in het leven gebeurt en bij de dingen die
anderen – misschien zijzelf ook – meemaken moeten strijden om te
zeggen: "Durf ik dat ook? Wil ik wat ik zie dat kan? Het laatste
hemd geven, de laatste cent delen, durf ik dat te doen? Durf ik mee
te gaan?"
Ik denk dat ik
genoeg gezegd heb, want niet ík hoef U over een streep te halen,
niet ík ben die ons komt bevrijden, maar het woord dat ons gegéven
is kan ons bevrijden. Dat woord kan ons de vreugde geven van de
herkenning dat het leven zijn open wegen hééft, dat er voor ieder
van ons vanuit eigen ervaring en door eigen ogen iets is om mee te
gaan, om puur te worden uit de dingen die we beleven en om wegen op
het spoor te komen door te kijken naar elkaar. En in onze omgeving
hebben we mensen genoeg die iets meemaken. Voor ons hier zou ik dan
durven, of liever moeten zeggen: "Mens, kijk ook vandaag uit je
ogen, durf de korreltjes goud op te delven, die overal tussen ons in
verschijnen. Weet dat het goud in de grond zit tussen scheuren en in
wonden. Meestal vind je dat goud niet zomaar zoals een bloem die aan
een boom groeit. Datgene wat God ons laat zien is vaak daar waar we
niet graag naar kijken. Ik denk dat zo – net zoals die twee profeten
naar de weduwe gegaan zijn en zich door die kleine, arme vrouw
hebben laten raken – ook voor ons vaak het goud te vinden is, een
weg. En dan zeg ik tegen mijzelf en tegen ons: "Kijk en durf ernaar
te handelen."
|