Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 10, 46 - 52

Door Leonie van Straaten, gehouden op 29 oktober 2006

 

Als er een visioen daagt, dan schreeuwt een mens het uit

 

De generatie na ons groeit op met televisie en computers. We leven in een beeldcultuur en worden enorm bepaald door wat wij zien. Zo zijn veel jongeren – ook onze zonen – gek op internet games. Dat zijn spelletjes op de computer die je niet op je eentje speelt, maar met mensen over de hele wereld. Het is anoniem spelen in een virtuele wereld, maar het is net echt. En daar zit een risico; want het blijkt dat jongeren soms zozeer in het spel opgaan, dat ze er in gaan leven. Ze dreigen het contact met de werkelijkheid, het zicht op hun leven, te verliezen. Ze komen terecht in een droomwereld, die niet helpt om te leren leven.

Maar er zijn ook dromen die de weg wijzen, die nieuw zicht geven op de werkelijkheid.

De lezing van Jeremia die we horen is een fragment uit zijn droom. Daarin horen we hoe hij staande blijft in de ballingschap en gelooft dat er nog iets nieuws kan gebeuren. Zó dromen dat je jezelf en je volk kunt inspireren en bemoedigen – dat is leven met een visioen.

 

Ook Marcus zet ons vandaag in deze richting. We horen al weken dat Jezus onderweg is naar Jeruzalem. Tot drie keer toe heeft hij voorspeld dat hij zal moeten lijden én dat hij weer zal opstaan. De leerlingen komen onderweg niet tot inzicht, zij zijn als het ware ziende blind. Dit reisverhaal wordt dan ook omsloten door twee verhalen over een blinde, die door Jezus genezen wordt. Zoals Tineke hier enkele weken geleden al zei: Jezus verlangt ernaar dat wij ziende mensen worden. Zien wat is – en het visioen niet verliezen.

Vandaag horen we over een mens die langs de weg zit en weer op weg gaat, Jezus achterna.

Het is de zoon van Timeüs. Sommigen vertalen Timeüs met onreinheid. Zo is het een ontmoeting tussen de zoon van onreinheid en de zoon van David, tussen werkelijkheid en visioen, of ook: tussen mensengeschiedenis en heilsgeschiedenis.

Hoe komt het tot deze ontmoeting? Bartimeüs is van de weg geraakt, hij is het zicht op het leven verloren. Hij heeft zich in een mantel gehuld en bedelt: zijn handicap is zijn bron van inkomsten geworden. Het is een dubbele afhankelijkheid. Maar hij heeft gehoord dat er iemand is die hem op weg kan helpen – er daagt een visioen en hij schreeuwt het uit.

De omstanders waarderen dit niet. Ze snauwen hem af, hij stoort hen op hun eigen weg. Zijn roep om ontferming kennen ze al jaren, het is de roep van een bedelaar. En dat hij Jezus roept als Zoon van David, de messiaanse titel bij uitstek, dat is ook niet zonder risico; het kan de machthebbers een troef in handen geven.

Ondanks de vaart die Jezus met zijn leerlingen heeft laat hij zich storen en stopt voor Bartimeüs. Het is de vaart van een mens die zijn bestemming kent – hij moet naar Jeruzalem – maar juist vanwege zijn bestemming de noodzaak ziet om stil te staan bij een mens die lijdt. De roep van de blinde laat horen hoezeer deze man gelooft in redding. Jezus hoort hem en roept op zijn beurt deze mens die gelooft.

Jezus stelt aan Bartimeüs dezelfde vraag die hij aan Johannes en Jacobus stelde: wat wil je dat ik voor je doe? Zij waren verblind en vroegen om een ereplaats. De blinde Bartimeüs ziet zijn kan schoon en vraagt dat hij weer kan zien. Dit is de juiste vraag op het goede moment: Jezus bevestigt zijn vertrouwen, zonder verder iets te doen. En Bartimeüs? Hij ziet en volgt Jezus. Tussen de velen die slechtziende of blind volgen is er in ieder geval één die helder ziet, schrijven de commentaren.

 

Zo staat er vandaag naast de leerlingen opeens een nieuwe leerling. Eén van wie we het niet verwachten, iemand die het zicht op zijn leven verloren had.

Dit geeft ons richting als wij in onze tijd Jezus willen volgen op zijn weg. Eén van de kenmerken van het leerling zijn is dat wij zien wat is, en daarin het visioen niet verliezen. Het visioen van een hartelijke kerk en van een bewoonbare wereld. Een wereld waarin jongeren niet enkel wegdrijven in computergames, maar ook aangetrokken worden door een alternatief van mensen, misschien van ons, die leven met een droom voor ogen. In deze weken zingen enkele honderduizenden mee met Marco Borsato als hij zingt: “Laat me even zien waar ik voor leef”. En velen van hen houden een goed gevoel over aan zo’n lied; ze dromen weg bij dat lied, zou je kunnen zeggen. Jonge mensen mogen vragen dat ze bij ons zien waarvoor zij kunnen leven. In onze droom moeten zij een richting van antwoord kunnen gaan zien.

 

Het verhaal bemoedigt, of we nu blind zijn en wat aan de rand van het leven, van kerk of gemeenschap zijn geraakt, of dat we al jarenlang leven als leerling - maar verstrikt zijn geraakt in onze beelden van kerk of gemeenschap. Het is voor mij belangrijk om bij onszelf, of waar mogelijk bij elkaar, de ogen te openen. Allereerst door ons af te vragen wat wij zien, en waardoor ons kijken bepaald wordt. En dan ook de vraag stellen, aan onszelf of aan elkaar: Wat staat jou voor ogen, wat is jouw droom. Ik merk dat het de moeite waard is om dit met elkaar te delen en ook wat je daarin dierbaar is. Dit inspireert en zo komt er vaart in het leven. De vaart van mensen, van een volk, een kerk, een gemeenschap die haar bestemming kent: dat wij mensen zijn die gekeerd staan naar het Licht.

Mogen we hiertoe gevoed worden en in het spoor van Jezus staande blijven in onze dromen voor de toekomst.