Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 10, 46 - 52

Door Nel van Cuijk

"Ga maar, je vertrouwen is je redding"

Marcus vertelt ons vandaag het laatste genezingsverhaal van Jezus op zijn tocht; we zien dat Jezus op die tocht vooral zijn leerlingen wilde onderrichten. Van nu af aan is er nog maar één weg, de weg naar Jeruzalem en volgt er alleen nog onderricht en het verhaal van zijn veroordeling zijn sterven en verrijzen.
Welk wonder voltrekt zich hier en nu dan, en kan dit wonder van genezing tot verwondering brengen? Zijn de leerlingen in staat iets te ontdekken in dit laatste teken van Jezus? Zullen zij iets zien, iets begrijpen?
De blinde zit daar langs de kant van de weg als symbool voor de velen die Jezus volgen, inclusief zijn leerlingen die tot nu toe te kennen hebben gegeven dat zij blind zijn voor de weg die Jezus meent te moeten gaan. Dat hebben we vorige week nog gehoord, want hoe eerlijk gemeend de vraag ook was van die twee die rechts en links van hem willen zitten, Jezus heeft hun toch gezegd: je weet niet wat je vraagt. Nu zit daar iemand die nergens is, niet op een plaats, niet naast Jezus, maar aan de kant van de weg. Blind en bedelend, opgesloten in zijn kleine wereld van niets kunnen zien, er niet bij horen, afhankelijk van wat een voorbijganger al dan niet wil geven, niet meetellend in het maatschappelijk leven. Het enige wat hij kan is roepen, hard roepen en dat doet hij dan ook. Hij schreeuwt het uit: "Zoon van David, heb medelijden met mij, eleison, eleison". 'Zoon van David', hoe komt deze man er bij om Jezus zo te noemen? Door niemand is Jezus zo genoemd, wat heeft deze blinde dan gezien dat hij Jezus in de Messiaanse verwachting plaatst, dat deze Jezus perspectief geeft op een andere wereld. En ook het 'eleison' is nog niet eerder geroepen. Dit woord dat in zoveel kerken en in zoveel talen dag in dag uit gezongen en gebeden wordt 'kyrie eleison'. De roep van de bedelaar, de vraag om een aalmoes.
In de ogen van de volgelingen van Jezus toen was het not done, niet gepast zo schreeuwend langs de weg te zitten. Ze snauwen hem toe, er zal wel zoiets geklonken hebben als 'hou je kop man, schaam je, je niet om zo'n bek open te trekken, wie denk je wel dat je bent, je kunt de meester, deze rabbi toch niet om geld vragen'. Ze stellen zich op als een soort M E die alles wat stoort en verstorend werkt uit de weg ruimt zodat de president of de paus of welke hoogwaardigheidbekleder ook, toch maar niet lastig gevallen wordt, niet door bedelaars en niet door proteststemmen.
Wat beweegt Jezus om dwars tegen zijn leerlingen in, dwars tegen de verwachting van die wonderlijke menigte in deze blinde man bij zich te roepen? Heeft Jezus in de titel die hij van deze blinde krijgt een roep gehoord, heeft deze titel zijn herinnering aan zijn doopervaring wakker gemaakt? Bij zijn doop heeft hij immers gehoord: "Jij bent mijn geliefde zoon", en wordt er van David niet verteld dat hij een man was naar Gods hart. 'Jij zoon van David, jij man naar Gods hart, heb medelijden met mij.' Ik weet niet wat Jezus bewogen heeft. Was hij eenzaam tussen deze mensen? Eenzaam tussen leerlingen die hem niet begrijpen? Wordt hij getroost door deze blinde bedelaar die ziet wat zijn leerlingen maar niet kunnen zien, die begrijpt wat zijn leerlingen maar niet kunnen begrijpen? Hij ziet in hem een man Gods, een man naar Gods hart.
Jezus roept hem bij zich en de leerlingen moeten haastig rechtsomkeer maken: 'stil nou maar, rustig', maar geen excuus dat ze hem de mond gesnoerd hebben. Nee: 'doe nou maar rustig aan want hij laat je roepen.'
"Wat wil je dat ik voor je doe?", vraagt Jezus dan, dezelfde vraag die hij even eerder aan Jakobus en Johannes stelde, 'wat wil je dat ik voor je doe?'. Dan komt de vraag van de mens die weet waar hij staat, die weet wat er in hem omgaat, die zich niet kleiner voordoet dan hij is en zich niet groter maakt dan hij is: "Rabboeni, mijn meester, maak dat ik zien kan". De enig juiste vraag in zijn situatie, en Jezus zegt dan: "Ga maar, je vertrouwen is je redding".
Hoe is de blinde genezen, vroeg ik me af.
Je zou kunnen zeggen de blinde heeft zichzelf genezen. Hij heeft zichzelf genezen toen hij zijn jas weggooide, het statussymbool van zijn bedelaar zijn afschudde. De last van zijn gedetermineerd zijn, de last van zijn verleden laat hij achter zich. Hij wil niet overleven, hij wil leven. Jezus heeft 'niets' gedaan, hij heeft de man bij zich geroepen en een vraag gesteld. Hij is een ontmoeting aangegaan. Hij heeft deze schreeuwende man niet langs de kant van de weg laten zitten en heeft gezegd: je vertrouwen is je redding, en toen Jezus verder ging, ging hij mee.
Het ziende worden voltrekt zich in een relatie van vertrouwen, vertrouwen is wat ziende maakt.
Daar overkomt mij het wonder, de verwondering dat het vertrouwvol omgaan met Jezus, met de volgelingen van Jezus mij ziende kan maken, mij en ons nieuw levensperspectief kan geven.