Preken: Marcus 10, 17 - 30
Door Hinnęni Peltenburg, gehouden op 15 oktober 2006
Uw
wil te doen, Heer, is mijn vreugde. Uw wet staat in mijn hart
gegrift
In deze lezingen komen mensen aan het woord die vragen stellen en
antwoord krijgen.
1. De rijke man stelt een vraag: “Maak mij de weg van het leven
bekend.”
In de vraag komt mijn verlangen open: ik wil leven. Wat is leven?
Echt mens zijn en leven in liefde. Echtheid en deemoed. Gehoorzamen
aan de Wet. Erkennen dat God Heer is van hemel en aarde.
Jezus vraagt Godgerichtheid te leven in de
materialiteit: verkoop alles, en in de socialiteit: de verboden ‘je
zult niet…’ hebben betrekking op het verkeer tussen mensen. Maar
mijn zelfbehoud drukt zich uit in: hebben, waard willen zijn en in
macht.
2. Jezus stelt een vraag: waarom noem je mij
goed?
Het is Jezus’ verlangen dat het diepste verlangen
van de mens wordt vrijgemaakt van zijn hebben, waard
willen zijn en macht; zodat dit diepste verlangen zich
kan incarneren, mens kan worden: de weg naar het leven; zodat het
Godsverlangen ons verlangen ontmoet: het koninkrijk, Gods plan.
In het vragen opent zich mijn verlangen. Dit gaat
niet op wilskracht, maar gebeurt in de mens die durft af te dalen
naar zijn diepste zelf om tot een keuze te komen. Het is de lokkende
beweging van de liefde: de liefdevolle blik van Jezus kunnen
doorstaan en beantwoorden. Troost en troosteloosheid zijn
kenmerkend: hij ging bedroefd heen. Het is de uitnodiging tot
inzicht en zelfkennis, die verdergaat en niet stopt bij die
ontdekking van jezelf. Het is de uitnodiging om dan verbindingen aan
te gaan.
3. Leerlingen stellen een vraag: wíj hébben toch
alles achtergelaten… wat nu?
Wat hebben de leerlingen achtergelaten, nadat Jezus hen in de ogen
heeft gekeken?
1. de eigen wil: hun net, en Jezus vraagt nu Gods wil te doen;
2. de affectieve relaties: de boot met de anderen. Jezus belooft
nieuwe vader, moeder, broers, zussen
3. geld: roeping van Levi. Alles achterlaten en Hem volgen.
Het woord van de Heer roept de leerlingen op een gebaar of een daad
te stellen. Wat ik moet doen, of wat ik kan doen is: de weg van het
leven gaan. Dat is de weg van het materiële naar het fundamentele,
het wezenlijke, naar de kern gaan. Jezus nodigt uit los te komen van
eigen liefde, eigen wil, eigen belang om vooruitgang te maken in een
grotere kennis en liefde voor de Enige, die goed is. Hij wil dat ik
een innerlijk vrij mens ben.
4. Ook wij stellen vragen, aan onszelf, aan elkaar…
Maak mij bekend wat de poort is die openstaat naar het leven van
de komende wereld.
Het is een individuele, persoonlijke vraag, naar de weg van het
leven en hoe die te gaan,
maar het is ook een vraag die wezenlijk belangrijk is voor de
gemeenschap in haar geheel.
Leven is geen neutraal begrip, of een
vanzelfsprekend bezit, maar is verbonden met de opdracht en de
bestemming van de mens. Leven moet gedaan worden. De vraag:
Maak mij de weg van het leven bekend, heeft twee kanten:
1. hoe moet ik leven om mijn leven tot een werkelijk, volwaardig
menselijk leven te maken? Door welke richtlijnen moet ik mij laten
leiden om een in de volle zin van het woord, “levend wezen” te zijn;
2. ook: hoe moet ik mijn leven in déze wereld
vormen tot een leven van de kómende wereld,
tot een leven dat bijdraagt aan de realisatie van de komende wereld?
Het is een vraag van het individu, maar ook de vraag van de
gemeenschap:
De fouten die de mens maakt, het onrecht dat hij
begaat, hebben als consequentie dat daardoor relaties worden
gebroken en levensmogelijkheden worden afgesneden. Als de
gemeenschap niet functioneert volgens de richtlijnen van de Torah,
volgens de geboden en de verboden; als mensen elkaar onrecht doen en
zichzelf en elkaar opofferen aan oude en nieuwe afgoden, is er voor
die gemeenschap dan nog een mogelijkheid tot leven? Ja, die
mogelijkheid is er: omkeer! Kies het leven!
De Enige wil niet dat de mens aan het besef van zijn falen te gronde
gaat: Hij wijst de mens zelf de weg terug naar het leven. Omkeer is
mogelijk, vergeving wordt gegeven:
Jezus verlangt ernaar dat ik een innerlijk vrij
mens ben. Vrijheid is de opdracht tot het zichtbaar maken van Gods
grote droom: een wereld waarin de Algoede zou willen wonen.
Dit proces van vrijwording en voltooiing van de
schepping gaat gepaard met pijn en leed. Maar dit proces kent ook
stroomversnellingen: openingen, waarin knopen worden ontward en het
leven ineens weer verder kan. Dit gaat gepaard met vreugde:
het vertrouwen dat deze momenten nooit afwezig zullen zijn. Zich
niet verheugen is gebrek aan vertrouwen en aan inzet. Wat we te
bieden hebben is het fundamenteelste dat de Enige aan ons vraagt:
Hem en zijn plan te beamen.
Vreugde leidt tot vieren; dat is vormgeven aan de vreugde en de
dankbaarheid. Gaan wij ons daarom op onze vreugde bezinnen om tot
vieren te komen? Of gaan wij ons bezinnen op ons vieren om in ons
huidige groeiproces de vreugde niet te verliezen?
Onze
geblokkeerdheid lijkt op een groot rotsblok op de weg, dat de
doorgang belemmert.
De koning
geeft bevel het rotsblok te verwijderen,
maar de mensen
zeggen: “Heer, het blok is zo groot en zwaar,
het gaat onze
krachten te boven om het weg te slepen.”
Daarop
antwoordt de koning:
“Hakken jullie
er dan in elk geval een klein stukje af;
dan zal ik komen en het hele
rotsblok verwijderen.”
|