Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 10, 17 - 30

Door Tineke Renkema

God waagt het met ons!

De evangelielezing van vanmorgen begint met te vertellen dat Jezus zijn weg vervolgt. Hij is onderweg. Onderweg: gehoor gevend aan zijn roeping om God zichtbaar te maken in de realiteit van het leven: verkondigend, genezend, onderrichtend.
Daar komt een rijke man. Hij is ook onderweg! Hij is zoekend, in beweging.
Misschien is het goed om bij voorbaat te zeggen dat het verhaal van vandaag niet een verhaal is van 'rijk is slecht, arm is goed', niet een verhaal met een moraal (altijd weer vind ik het moeilijk om daar aan te ontkomen), niet een verhaal van het slechte geweten, zoals in een commentaar vermeld stond. Het is eerder een verhaal over hoe Jezus oog heeft voor en ingaat op iemands verlangen en hoe moeilijk het is dat verlangen serieus te nemen, hoe moeilijk het is gehoor te geven.

Een rijke man, ook onderweg, zoekend, in beweging, knielend voor deze Goede Meester. Jezus reageert onmiddellijk: "Alleen God is goed". Jezus laat in zijn leven geen gelegenheid voorbijgaan om te verwijzen naar God, Bron van leven; in de context van dit verhaal verwijst hij uitdrukkelijk: Het is niet míjn goedheid, het is niet míjn bezit, maar het is gekregen, ontvangen goedheid, ontvangen om te geven.

Een man onderweg, knielend en de vraag stellend: 'Wat moet ik doen? Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?' Het lijkt erop dat hij al knielend zijn pijn belijdt dat het echte leven aan hem voorbijgaat. Hij heeft het gemaakt in zijn leven. Hij heeft, zo blijkt uit het vervolg, zich aan de geboden gehouden, gedaan wat hem werd gevraagd, hij heeft zich ingespannen in zijn leven, en toch, en toch: er tikt iets, terwijl hij toch alles lijkt te hebben wat zijn hart begeert. En toch, en toch: er is iets van leegte, van gemis, van ontbreken, van niet echt gelukkig zijn. Ja, het is een man onderweg naar iets, zoekend: Wat moet ik doen?
Ik kan me goed verplaatsen in die man. Indertijd, als jong gezin, wij tweeën begin dertig, materieel aan niets tekort , een goed huwelijk, drie gezonde kinderen, twee goede banen, maar was dat nu echt alles? Waar gaat het in het leven om? Die vraag stelden wij toen heel expliciet, en die vraag dient zich bij tijd en wijle ook weer opnieuw aan bij ons. Ik kom die vraag nu soms ook tegen in een veel breder wij: wat moeten wij, wij als deze gemeenschap, doen?

Jezus neemt de vraag van deze man zeer serieus. Allereerst zegt hij de man de geboden te onderhouden, gewoon te doen wat een mens moet doen om menselijk te zijn, om te kunnen leven met een ander, anderen. De man geeft er blijk van te streven naar het goede: van jongs af aan onderhoudt hij de geboden. En toch en toch heeft hij deze vraag: "Wat moet ik doen?". "Jezus keek hem aan en ging van hem houden". Jezus' hart gaat uit naar deze man, hij ziet het gemis en heeft oog voor het verlangen, dat achter dit gemis schuilgaat, om vol te willen leven. Jezus waagt het dit verlangen aan te raken door hem te roepen, te roepen, zoals hij de leerlingen riep aan het begin van dit evangelie van Marcus: Volg mij.

Jezus heeft hem lief, neemt zijn verlangen uiterst serieus. Dit heeft als gevolg dat zijn vraag aan deze man dan ook heel radicaal is: hij vraagt hem zijn bezit vrij te geven en Hem te volgen op zijn weg. Jezus vraagt aan hem om een heel andere beweging te maken in zijn leven. Tot nu toe was er sprake van zijn leven inrichten, maken, vormgeven, er de verantwoordelijkheid voor nemen en dat heeft hem geen windeieren gebracht. Nu wordt hem een beweging gevraagd, die daarmee in spanning staat, een daaraan tegengestelde beweging: loslaten, volgen, overgeven, zich openen voor de ander. Een vol leven, zo versta ik, heeft deze twee bewegingen nodig. Immers tegen de lamme zegt Jezus: "Sta op, neem je matras op en loop", met andere woorden: geef vorm aan je leven, richt het in, draag er de verantwoordelijkheid voor. Tegen deze man, uit het evangelie van vandaag, zegt Jezus: "Verkoop wat je bezit en geef het aan de armen", met andere woorden: Maak je los van de beweging om je leven steeds meer onder controle te krijgen, om steeds meer te verwerven, om je leven te 'maken', en geef zo aan de ander de mogelijkheid zich een bestaan te kunnen verwerven. En dan: 'Volg mij, verbind je leven aan het mijne, verbind je leven aan het gezicht geven aan het goede dat van God komt en waag het daarop te vertrouwen. Dan … zal er sprake zijn van een vol leven, een zinvol leven, open voor de andere kant van leven.'

We horen dat deze man verstrakt bij deze vraag en verdrietig weggaat. Het gemis dat hem innerlijk bewoog, dat hem onderweg deed gaan, dat hem bij Jezus bracht, wordt door Jezus serieus genomen, zo serieus als die man het blijkbaar zelf niet nemen kan. Verdrietig vertrekt hij omdat er zoveel verlangen, zoveel gemis is in hemzelf en tegelijkertijd onmacht om gehoor te geven.
Hij waagt het niet. Hij waagt het niet de hem vertrouwde manier van leven los te laten. Het kwam bij mij op, dat hij misschien niet heeft gezien dat Jezus naar hem keek en van hem was gaan houden. Hij waagt het niet in relatie te treden met Jezus, die hem - door de leegte en het gemis heen - in contact zou kunnen brengen met het goede dat van God komt.

Het moet Jezus toch heel veel hebben gedaan! Híij heeft het wel gewaagd om deze man volledig serieus te nemen, hij heeft het wel gewaagd in hem te geloven, hem het volle pond vragend, hem roepend om te luisteren naar het verlangen van zijn eigen hart. Wat is het toch moeilijk voor mensen met geld om het koninkrijk van God binnen te gaan, zo horen we Hem zeggen. Ik versta: Wat is toch moeilijk voor mensen, die zo op deze ene beweging van leven zijn ingesteld, om zich over te geven aan die andere beweging, die het leven vol maakt. Moeilijk om waar ik zozeer mijn eigen leven heb gemaakt, me te openen om het leven met elkaar vorm te geven, me eraan over te geven, me er afhankelijk van te weten.

De leerlingen schrikken: Zij zijn wel ingegaan op de roep 'Volg mij', maar ligt de lat werkelijk zo hoog, is het zo moeilijk? We kunnen er onze eigen schrik in herkennen. Heeft het erop 'wagen' dan wel zin? Heeft 'geloven' wel zin? Is het wel mogelijk? Is het wel mogelijk een plaats op te bouwen open naar onszelf, open naar elkaar? Een leven, waarin niemand alleen voor zichzelf leeft, waar wij ons aan elkaar toevertrouwen, elkaar veilig stellen, gelovend dat zo het Rijk Gods komt? We horen Jezus zeggen tegen de leerlingen, tegen ons, wanneer wij door dezelfde schrik bevangen worden: "Bij de mensen kan dat niet, maar bij God wel, bij God kan alles."
Wij moeten onze onmacht erkennen, onze armoede die voortvloeit uit onze rijkdom: onze onmacht om ons over te geven, om ons toe te vertrouwen aan elkaar, onze onmacht om elkaar veilig te stellen. Maar dan kunnen wij wel met heel ons hart bidden en smeken, zoals het boek Wijsheid ons laat zien, een bidden dat onze nood juist doet kennen. Bidden en smeken om onze muren te slechten, muren van bezit, waardoor wij van God en elkaar worden gescheiden. Bidden en smeken, opdat we van geen ophouden zullen weten, in het besef dat Hij het met ons heeft gewaagd, in ons gelooft en ons aankijkt met ogen van liefde.