|
|
Preken: Marcus 10, 17 - 30
Door Tineke Renkema
God waagt het met ons!
De evangelielezing
van vanmorgen begint met te vertellen dat Jezus zijn weg vervolgt.
Hij is onderweg. Onderweg: gehoor gevend aan zijn roeping om God
zichtbaar te maken in de realiteit van het leven: verkondigend,
genezend, onderrichtend.
Daar komt een rijke man. Hij is ook onderweg! Hij is zoekend, in
beweging.
Misschien is het goed om bij voorbaat te zeggen dat het verhaal van
vandaag niet een verhaal is van 'rijk is slecht, arm is goed', niet
een verhaal met een moraal (altijd weer vind ik het moeilijk om daar
aan te ontkomen), niet een verhaal van het slechte geweten, zoals in
een commentaar vermeld stond. Het is eerder een verhaal over hoe
Jezus oog heeft voor en ingaat op iemands verlangen en hoe moeilijk
het is dat verlangen serieus te nemen, hoe moeilijk het is gehoor te
geven.
Een rijke man, ook
onderweg, zoekend, in beweging, knielend voor deze Goede Meester.
Jezus reageert onmiddellijk: "Alleen God is goed". Jezus laat in
zijn leven geen gelegenheid voorbijgaan om te verwijzen naar God,
Bron van leven; in de context van dit verhaal verwijst hij
uitdrukkelijk: Het is niet míjn goedheid, het is niet míjn bezit,
maar het is gekregen, ontvangen goedheid, ontvangen om te geven.
Een man onderweg,
knielend en de vraag stellend: 'Wat moet ik doen? Wat moet ik doen
om deel te krijgen aan het eeuwig leven?' Het lijkt erop dat hij al
knielend zijn pijn belijdt dat het echte leven aan hem voorbijgaat.
Hij heeft het gemaakt in zijn leven. Hij heeft, zo blijkt uit het
vervolg, zich aan de geboden gehouden, gedaan wat hem werd gevraagd,
hij heeft zich ingespannen in zijn leven, en toch, en toch: er tikt
iets, terwijl hij toch alles lijkt te hebben wat zijn hart begeert.
En toch, en toch: er is iets van leegte, van gemis, van ontbreken,
van niet echt gelukkig zijn. Ja, het is een man onderweg naar iets,
zoekend: Wat moet ik doen?
Ik kan me goed verplaatsen in die man. Indertijd, als jong gezin,
wij tweeën begin dertig, materieel aan niets tekort , een goed
huwelijk, drie gezonde kinderen, twee goede banen, maar was dat nu
echt alles? Waar gaat het in het leven om? Die vraag stelden wij
toen heel expliciet, en die vraag dient zich bij tijd en wijle ook
weer opnieuw aan bij ons. Ik kom die vraag nu soms ook tegen in een
veel breder wij: wat moeten wij, wij als deze gemeenschap, doen?
Jezus neemt de vraag van deze man zeer serieus.
Allereerst zegt hij de man de geboden te onderhouden, gewoon te doen
wat een mens moet doen om menselijk te zijn, om te kunnen leven met
een ander, anderen. De man geeft er blijk van te streven naar het
goede: van jongs af aan onderhoudt hij de geboden. En toch en toch
heeft hij deze vraag: "Wat moet ik doen?". "Jezus keek hem aan en
ging van hem houden". Jezus' hart gaat uit naar deze man, hij ziet
het gemis en heeft oog voor het verlangen, dat achter dit gemis
schuilgaat, om vol te willen leven. Jezus waagt het dit verlangen
aan te raken door hem te roepen, te roepen, zoals hij de leerlingen
riep aan het begin van dit evangelie van Marcus: Volg mij.
Jezus heeft hem lief, neemt zijn verlangen
uiterst serieus. Dit heeft als gevolg dat zijn vraag aan deze man
dan ook heel radicaal is: hij vraagt hem zijn bezit vrij te geven en
Hem te volgen op zijn weg. Jezus vraagt aan hem om een heel andere
beweging te maken in zijn leven. Tot nu toe was er sprake van zijn
leven inrichten, maken, vormgeven, er de verantwoordelijkheid voor
nemen en dat heeft hem geen windeieren gebracht. Nu wordt hem een
beweging gevraagd, die daarmee in spanning staat, een daaraan
tegengestelde beweging: loslaten, volgen, overgeven, zich openen
voor de ander. Een vol leven, zo versta ik, heeft deze twee
bewegingen nodig. Immers tegen de lamme zegt Jezus: "Sta op, neem je
matras op en loop", met andere woorden: geef vorm aan je leven,
richt het in, draag er de verantwoordelijkheid voor. Tegen deze man,
uit het evangelie van vandaag, zegt Jezus: "Verkoop wat je bezit en
geef het aan de armen", met andere woorden: Maak je los van de
beweging om je leven steeds meer onder controle te krijgen, om
steeds meer te verwerven, om je leven te 'maken', en geef zo aan de
ander de mogelijkheid zich een bestaan te kunnen verwerven. En dan:
'Volg mij, verbind je leven aan het mijne, verbind je leven aan het
gezicht geven aan het goede dat van God komt en waag het daarop te
vertrouwen. Dan … zal er sprake zijn van een vol leven, een zinvol
leven, open voor de andere kant van leven.'
We horen dat deze
man verstrakt bij deze vraag en verdrietig weggaat. Het gemis dat
hem innerlijk bewoog, dat hem onderweg deed gaan, dat hem bij Jezus
bracht, wordt door Jezus serieus genomen, zo serieus als die man het
blijkbaar zelf niet nemen kan. Verdrietig vertrekt hij omdat er
zoveel verlangen, zoveel gemis is in hemzelf en tegelijkertijd
onmacht om gehoor te geven.
Hij waagt het niet. Hij waagt het niet de hem vertrouwde manier van
leven los te laten. Het kwam bij mij op, dat hij misschien niet
heeft gezien dat Jezus naar hem keek en van hem was gaan houden. Hij
waagt het niet in relatie te treden met Jezus, die hem - door de
leegte en het gemis heen - in contact zou kunnen brengen met het
goede dat van God komt.
Het moet Jezus
toch heel veel hebben gedaan! Híij heeft het wel gewaagd om deze man
volledig serieus te nemen, hij heeft het wel gewaagd in hem te
geloven, hem het volle pond vragend, hem roepend om te luisteren
naar het verlangen van zijn eigen hart. Wat is het toch moeilijk
voor mensen met geld om het koninkrijk van God binnen te gaan, zo
horen we Hem zeggen. Ik versta: Wat is toch moeilijk voor mensen,
die zo op deze ene beweging van leven zijn ingesteld, om zich over
te geven aan die andere beweging, die het leven vol maakt. Moeilijk
om waar ik zozeer mijn eigen leven heb gemaakt, me te openen om het
leven met elkaar vorm te geven, me eraan over te geven, me er
afhankelijk van te weten.
De leerlingen
schrikken: Zij zijn wel ingegaan op de roep 'Volg mij', maar ligt de
lat werkelijk zo hoog, is het zo moeilijk? We kunnen er onze eigen
schrik in herkennen. Heeft het erop 'wagen' dan wel zin? Heeft
'geloven' wel zin? Is het wel mogelijk? Is het wel mogelijk een
plaats op te bouwen open naar onszelf, open naar elkaar? Een leven,
waarin niemand alleen voor zichzelf leeft, waar wij ons aan elkaar
toevertrouwen, elkaar veilig stellen, gelovend dat zo het Rijk Gods
komt? We horen Jezus zeggen tegen de leerlingen, tegen ons, wanneer
wij door dezelfde schrik bevangen worden: "Bij de mensen kan dat
niet, maar bij God wel, bij God kan alles."
Wij moeten onze onmacht erkennen, onze armoede die voortvloeit uit
onze rijkdom: onze onmacht om ons over te geven, om ons toe te
vertrouwen aan elkaar, onze onmacht om elkaar veilig te stellen.
Maar dan kunnen wij wel met heel ons hart bidden en smeken, zoals
het boek Wijsheid ons laat zien, een bidden dat onze nood juist doet
kennen. Bidden en smeken om onze muren te slechten, muren van bezit,
waardoor wij van God en elkaar worden gescheiden. Bidden en smeken,
opdat we van geen ophouden zullen weten, in het besef dat Hij het
met ons heeft gewaagd, in ons gelooft en ons aankijkt met ogen van
liefde.
|