Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 10, 17 - 30

Door Koos van Etten

Een weg gaan

Nou, we zijn al ingeleid in het evangelie; we zijn er al een beetje naartoe gebracht. Laten we er maar eens bij stilstaan, al is de situatie aan het begin juist dat Jezus op weg is. "Hij begeeft zich op weg": dat beeld speelt, naar ik denk, door heel dit verhaal heen. Op de eerste plaats is het zo dat Hij op weg is. Dat is dus wat anders dan een gesprek in een lekkere stoel bij de open haard. Hij is op weg, iemand komt naar Hem toelopen, en dan loopt Hij weer door. Het gesprek gaat ook zo hortend en stotend. Zij gaan niet zo gemakkelijk op elkaar in. Ook is het zo dat die vraag, die Leonie al aan het begin van deze dienst heeft doen oplichten, die vraag van de jongeman omtrent wat hij doen moet, ook al een vraag is naar de weg. Welke weg moet ik eigenlijk gaan? In het Hebreeuws is dat de ‘halacha’; wij zouden dat de ‘levenswandel’ noemen, een richting om te weten welke kant je op moet gaan.

"Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het leven, aan het eeuwige leven?" Als eerste antwoord zegt Jezus dan tot deze man – er staat eigenlijk niet zo duidelijk ‘jongeman’, maar de traditie wil dat het toch wel een jonge man geweest moet zijn, die het hele leven nog voor zich heeft -: "Je kent de Tora, de Tien Woorden, de geboden, toch: je zult niet doden, je zult geen echtbreuk plegen, enzovoorts? Dat is de eerste richting, die voor iedereen geldt." En de man zegt dan: "Maar dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af." Dan gebeurt er iets in Jezus. Het is net alsof Hij zich dan omdraait, hem in de ogen kijkt en – zoals een vertaling zegt: "Hij vatte genegenheid voor hem op" – hem heel persoonlijk aanspreekt: "Wat jou ontbreekt is één ding; ga alles wat je bezit verkopen, laat het achter je, geef het aan de armen en kom dan achter Mij aan. Kom achter Mij aan, dat wil zeggen, ga de weg die Ik zelf ga". Dat is een brug te ver. Dat is teveel gevraagd, want, zo staat er geschreven, hij bezat zoveel. Hij had zoveel en kon het zo moeilijk loslaten. "En verdrietig gaat hij naar huis."

Zoals de kinderen zo-even ook al hebben laten zien, gaat het om iemand die materieel rijk is en veel bezit. Maar het is natuurlijk ook een beeld van ons allen, een beeld van dat we innerlijk rijk kunnen zijn. Ach, we kennen dit verhaal vanuit retraites en vanuit ons bezigzijn tijdens bezinningsdagen. En als we daarmee bezig zijn, weten we ook hoe moeilijk het is om los te laten, om datgene wat zo vertrouwd is af te geven. Je hebt het immers zo stevig in handen. Het geeft je zekerheid en vertrouwen voor morgen, voor de toekomst. En waarom zou je het loslaten?

Het verhaal gaat echter verder en Jezus blijft eigenlijk ook wat pijnlijk getroffen achter. Hij laat zijn blik gaan over zijn leerlingen, over degenen die Hem in feite volgen, en Hij zegt: "Wat is het toch moeilijk voor degenen die veel hebben om het Koninkrijk Gods binnen te gaan." Je zou dan kunnen denken dat die leerlingen .het nu toch al gezien hebben en het wel weten. Maar die leerlingen schrikken ervan: "Waar heeft Hij het over? Wat zegt Hij nou eigenlijk?" Ze kunnen Hem ook niet volgen in zijn gedachtegang en in zijn bezieling. Maar Jezus blijft bij zijn standpunt en herhaalt het nog eens een keer. En zelfs met die beeldspraak, die zoveel heeft opgeroepen – "voor een kameel is het gemakkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om in het Koninkrijk Gods te komen" – zie je de levensgrote vraag "hoe is het toch mogelijk; dat kan toch eigenlijk niet?" al voor je. Er staat dan ook "de leerlingen raken verbijsterd". Ze schrikken er niet alleen van, maar ze raken echt helemaal verbijsterd en zeggen: "Ja maar, dat is helemaal een brug te ver! Wie kan er dan nog gered worden? Nu snappen we er niets meer van!"

Op dit punt vroeg ik mij af wat dit met óns leven te maken heeft. Wat heeft die moeite, die worsteling in geloof, dat zoeken naar een weg ermee te maken? Wat moet ik doen, wat moeten wij doen? De eerste gedachte die het bij mij opriep was dat er onder ons toch zijn die hun boeltje opgepakt hebben, alles achter zich gelaten hebben en de weg gegaan zijn. En toch, het blijft een beeld, ook voor ons allen. Laten we het vertrouwde echt los? Durven we het nieuwe in te gaan? Durven we de ontmoeting aan te gaan en in nieuwe verhoudingen binnen te gaan? Het geldt voor ons allen.

Zoals in het woord van welkom al gezegd is, zijn we gisteren net zo goed met die vragen bezig geweest. Wat moeten wij samen doen om de verschillen omtrent onze komaf en onze geloofstradities niet weg te moffelen, maar onder ogen te durven zien, die verschillen echt aan te kijken? Dat betekent dat je in dat geval zelf in dialoog, in ontmoeting wil gaan en dan ook wil veranderen, want die vraag "wat moet ik doen?" houdt ook verandering en bekering in, een andere weg gaan. Het gaat er dan ook om om bij die vrijheid uit te komen, die echte vrijheid om achter Jezus aan te gaan. Zo heb ik het althans ook verstaan in het verhaal van Jan Busschers afgelopen vrijdag: "Als je zo je weg kan tekenen en zo gedoopt wordt, dan geef je aan dat je zo achter Hem aan wil gaan."

Dat geldt nog meer voor die vragen, die op ons afkomen vanuit de wereld om ons heen. Denken we maar aan Israël, aan hoe de Joodse en Palestijnse jongeren daar – zoals wij gehoord hebben uit de verhalen van "Neve Shaloom" – bezig zijn, niet zozeer om de vrede op zich te zoeken – want dat is al een brug te ver -, maar om te zoeken naar hoe je toch met het conflict en met die verschillen omgaat. Dat is al een hele weg. We zien hoe moeilijk het in die werkelijkheid voor hen is om die weg te gaan.

Een weg gaan. Op het einde van dit verhaal uit het evangelie staat nog een stukje, waarin Petrus zegt: "Zie, wij hebben alles prijsgegeven. Wij hebben alles achter ons gelaten om U te volgen." Dat is blijkbaar toch een eerlijke opmerking, omdat ik voel dat Jezus in het antwoord dat Hij geeft eigenlijk zijn bezieling kan laten doorkomen. Hij zegt dan: "Ja, Ik zeg je, er is niemand die huis, broers, zusters of wat dan ook achterlaat omwille van Mij en dat evangelie waar Ik voor sta, omwille van dat visioen waar Ikzelf door geboeid ben, of hij zal het ontvangen. Hij zál het ontvangen." En ik dacht dat dat toch geen loon naar verdienste was. Dat is geen zaak van gepresteerd hebben en er dus recht op hebben. Jezus roept hier iets op van "houd moed, ga de weg, geef het niet op, je zúlt het ontvangen". Dat is Jezus’ eigen geloof, want Hijzelf gaat die weg, die Hem uiteindelijk naar Jerusalem leidt. Hij geeft de moed niet op en gaat de weg en blijft bij zijn bezieling vanuit die Geest, die Hem leidt en stuwt. Jezus zet alles op één kaart. Tegen de jongeman zegt Hij dat hem slechts één ding ontbreekt, maar zelf zet Hij alles op één kaart. Hij gaat die weg en vraagt anderen om achter Hem aan te gaan, dat te vertrouwen, dat te doen.

In de eucharistie mogen we zijn leven onder ons vieren, het leven van Hem, die de weg gegaan is ten einde toe. Zijn leven, zijn dood en zijn verrijzenis mogen we hier vieren. Mogen we door Hem geïnspireerd en gevoed worden. Amen.