|
|
Preken: Marcus 10, 2 - 16
Door Niek Werkhoven, gehouden op 8 oktober 2006
De Heer, een God die liefdevol is, barmhartig en genadig…
Je
kunt je afvragen of het wel verstandig is een overweging over “wat
God verbonden heeft, zal een mens niet scheiden” toe te vertrouwen
aan een celibatair. Heeft iemand met 40, 50 jaar huwelijksleven
achter de rug niet veel meer recht van spreken? Loopt een
Einselgänger niet rond met romantische
fantasiebeelden over een intieme relatie? Of is zo iemand, wat
misschien nog erger is, geen spijkerharde moralist die precies weet
wat de ander moet doen? We weten maar al te goed hoe de ‘wet’
gehanteerd wordt door mensen die menen er boven of buiten te staan.
En dat niet alleen in de kerk!
Het
zij zo, het lot viel op mij, het oordeel is aan u.
‘Jezus radicaliseerde de huwelijkswet’, wordt gewoonlijk gezegd naar
aanleiding van dit evangelie. En dat zal wel waar zijn. Tenminste …
als radicaal niet de betekenis heeft van ijskoude wet, los van
begrip voor de beperktheid, gebrokenheid en kwetsbaarheid van de
mens. Jezus was inderdaad wel iemand die vragen durfde te stellen,
vragen die een leven overhoop konden halen. Zo was Hij, en is dat
nog altijd. Waar het gaat om vrijheid, geluk, liefde en vergeving,
moeten soms harde noten gekraakt worden!
Zoiets hoor ik ook in dit evangelie, in dat eerste stukje.
De
Farizeeën stellen een valse vraag want zij wisten het antwoord heel
goed. Het was voor hen gesneden koek dat een man zijn vrouw kon
wegsturen, de wet van Mozes zei dat. De discussie ging in die tijd
praktisch alleen over wat een goede reden kon zijn om dat te doen.
Maar
daar weigert Jezus pertinent in mee te gaan. Dat is beginnen aan de
verkeerde kant. Dat heeft Mozes jullie voorgeschreven – let wel, om
de vrouw toch enigszins te beschermen tegen volstrekte willekeur in
een patriarchale samenleving – omdat jullie hardleers zijn. De
Nieuwe Bijbel Vertaling zegt: “omdat jullie harteloos en koppig
bent”. Hardleers, harteloos en koppig: een hart met een harde korst,
verstard en versteend. Hart dan wel te verstaan als diepste wezen,
de kern van de mens.
Maar
zo, met deze verharding, begint een echtpaar niet. En begin, zo zou
je Jezus kunnen horen zeggen, dan bij het begin. Niet zozeer bij de
eerste verliefdheid, als wel bij het besef dat God de gever van je
leven is, dat je verlangen naar geluk en vervulling van leven,
verlangen naar Hem is. Deze God is in je verlangen en Hij is actief
betrokken op de vervulling daarvan. Maar deze God is, juist omdat
Hij, of moet ik zeggen Zij, God is en geen mens, ook steeds de
criticus van onze menselijke voorstellingen van geluk en liefde.
Ja,
Jezus concludeert vanuit het scheppingsverhaal: wat God verbonden
heeft, zal een mens niet scheiden. Maar dat is geen slogan om de
mens mee om de oren te slaan, laat staan te veroordelen. We doen
Jezus en zijn evangelie onrecht, als we deze woorden losmaken van de
concrete werkelijkheid waar we in leven.
Jezus verkondigt, ook in deze woorden, het Rijk van God, dat wil
zeggen, de actieve betrokkenheid van God op het leven van de mens en
het verlangen naar geluk. Vertrouwen op deze betrokkenheid en
‘bekering’ zijn de sleutelwoorden van zijn spreken en doen.
Bekering, je zou dit kunnen verstaan als open staan, als steeds
voltrokken levensvernieuwing. Het tegengestelde dus van verharding
van hart.
Deze God van Jezus leren kennen is eerst en
vooral een levensweg gaan, vanuit een besef dat je het leven
ontvangt en dit ontvangen leven dient te delen. “Delf mijn gezicht
op, maak mij mooi”, hoe bidden we dat eigenlijk? Is het een enkel
verzuchting om gezien en gewaardeerd te worden? Of horen we dit,
minstens ook, als een vraag die mijn naaste-naaste stamelt?
Het klinkt zo simpel en vlak, maar wat houdt dit
in wanneer onze tijd de autonomie van de mens, het zelf beschikken
over wat en hoe je wilt leven, hoog in het vaandel heeft staan? Het
kan er zeker niet om gaan terug te keren naar een brave
gehoorzaamheid aan de wet. De weg van Jezus volgen als een weg die
naar leven leidt, is ín en mét deze autonomie God blijven zoeken,
ook al zijn zijn wegen voor ons dikwijls ondoorgrondelijk. Wanneer
we geen gevecht meer aangaan met de begrenzing waarmee de ‘wet’ ons
confronteert, zei Marc Desmet, verminderen onze schuldgevoelens,
maar ook de kansen op levensvreugde. Op die manier ontstaat een
cultuur van het intieme ongeluk.
Verharding van hart – misschien zou Jezus in onze tijd spreken over
innerlijke leegte, verdringing of weigering de waarheid van eigen
beperktheid onder ogen te zien als kans. In ieder geval kan ik dit
evangelie niet verstaan in de trant van ‘zo is het, punt uit’. Als
Jezus vraagt om hem te volgen, een vraag die verder reikt dan toen,
dan is het om in de werkelijkheid zoals die zich aandient, te leren
dat er zaken zijn die zo van waarde zijn dat alles, ook het eigen
leven, slechts waarde heeft als het in het licht daarvan staat.
Daarin is Jezus zijn weg gegaan tot het uiterste toe.
En
dan horen we, na Jezus’ woorden over het huwelijk als leerschool,
oefenplek of vindplaats van leven, hoe de mensen kinderen bij hem
brengen. Heeft dat nog iets met het voorafgaande te maken? Wordt de
‘strenge’ leraar nu getekend als een wat sentimentele
‘kindervriend’?
Ik
geloof dat Marcus meer wil zeggen. Kinderen hebben het leven nog
voor zich, hun mogelijkheden liggen nog open. Als Jezus hen de
handen oplegt is het ter bemoediging, is het om zijn geest mee te
geven om de weg te kunnen gaan die leidt naar geluk en vrijheid.
Open zijn en blijven voor onvermoede mogelijkheden, dat dreigen
volwassenen nog al eens te verleren!
Nu
mogen we zijn geest weer afroepen over onze gaven van brood en wijn
opdat ze teken worden van werkelijke nabijheid van de God die in
Jezus de meest harde verstarring van de dood overwon.
Dat
moge ons bemoedigen om op zijn weg te blijven.
|