|
|
Preken: Marcus 10, 2 - 16
Door Niek Werkhoven
De mogelijkheid om een droom te
verwezenlijken
Nel heeft me gevraagd om dit evangelie te
plaatsen in de context van ons gebed, in de context van deze
dankzegging en deze viering. Dat heeft ze gevraagd aan mij, een
celibatair, die ooit ingetreden is en nooit uitgetreden bij een
orde, die er prat op ging de strenge observantie van de regel te
handhaven en dus – als we praten over verschillen – geen club van
liberale levensgenieters is. Misschien mogen we evenwel van
verschillende kanten kijken en zoeken naar dit woord van leven, want
dat is toch bidden, dat is toch ons vieren: ons leven, ons denken en
voelen in overeenstemming brengen met de bron van leven.
Jezus geeft
onderricht, en dat is wat anders dan mensen wetten voorschrijven of
hen met de wet om de oren slaan. Als Jezus onderricht geeft, wil Hij
met daad en woord mensen hoop, bemoediging en uitzicht op het leven
geven. Vlak hiervoor in het evangelie staat dan ook "hebt zout in
uzelf en leeft in vrede met elkaar". Dat is de context, waarop deze
brandende vraag van de Farizeeën komt: "Maar weet je dan niet hoe
moeilijk het is met dat verbond tussen man en vrouw? Mag een man
zijn vrouw verstoten?" Dat was toen en is ook nu die altijd
brandende vraag naar dat samengaan. Wat bedoelen ze met deze vraag?
Vanuit de discussie hieromtrent in de tijd van Jezus betekende dat:
"Welke redenen zou Jézus geven waarom zo’n pijnlijke breuk
geoorloofd is?" Vanuit diezelfde achtergrond wordt ook de wedervraag
van Jezus verstaanbaar: "Wat zegt de wet van Mozes?" De wet van
Mozes kennen ze, maar dat is niet voldoende. De wet van Mozes is
meer en Jezus gaat een stap verder. Hij gaat naar de oorsprong van
die wet: "Man en vrouw schiep Hij hen; twee, die één vlees worden."
Dat accepteren ligt aan de oorsprong, dat ligt aan het begin. Dat is
geen romance, dat is leven: samen één vlees, samen mens te zijn. De
conclusie van Jezus is dan ook duidelijk: "Wat God verbonden heeft
zal geen mens scheiden." Dat woord is radicaal, veeleisend, maar we
moeten er wel even stil mee zijn. Ook dit is immers geen wet,
waarmee men elkaar om de oren kan slaan. Integendeel, het is een
woord dat oproept en zeker niet onze complexe menselijke
werkelijkheid wil platwalsen. God is voor Jezus geen macht die
platwalst. Hij zegt niet tot de weduwe van Naïm: "God heeft gegeven
en God heeft genomen." Hij zegt niet tegen de blinde en tegen de
lamme: "Berust in je lot, want zo heeft God het gewild." Neen, de
God van Jezus is de God van liefde en leven, de God van bevrijding
en de bron van leven. Met deze werkelijkheid van God ging Jezus om.
Dit mogen wij ook
zoeken; dit mogen en moeten wij ook verstaan in deze woorden van het
evangelie. Daarom is er ook die felle en harde tegenstelling tussen
"jullie hardheid van hart" en deze bron van leven, deze dynamiek,
deze wordingsgang – of, om met onze woorden te spreken, dit
wordingsproces. Wanneer je de pijn van het leven, de moeite van het
leven, het ingewikkelde van het leven aangaat met verstening van
hart, komt er geen uitzicht. Wat Jezus vraagt is om in beweging te
kunnen komen, tot verandering in staat te zijn. "Wat deze God
verbonden heeft mag een mens niet scheiden." Het is niet erop of
eronder, maar het klinkt zoals die andere woorden van Jezus: "Weest
volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is. Ik zeg jullie: heb je
vijanden lief." Het is een oproep of, zoals Annunciata het
vrijdagavond noemde, een zegen. Besef dat je leven gegeven is, dat
je niet de bron van leven in jezelf hebt. Als je dat plaatst in dit
"man en vrouw schiep Hij hen", als je zo naar het leven kijkt dat de
vrouw, de ander, niet het verlengstuk is van het eigen ik, maar
werkelijk de ander is, zodat je daarom tot eenheid komt en niet tot
versmelting, confronteert dat ons met onze kleinheid en plaatst het
ons in onze eigen geschiedenis van schuld en vergeving. Wie dit
onder ogen ziet kan zijn naaste, die is zoals hij, liefhebben.
Schuld en vergeving, we dragen het allemaal, niet als een
veroordeling, maar om in dat besef tot liefde en leven te komen.
Dat leven kunnen we niet zonder meer aflezen aan
de omstandigheden, die zich voordoen. Ook Jezus zelf heeft deze God
van liefde en dit leven hooggehouden, toen Hij door mensen verworpen
en de dood ingejaagd werd. Wat we nodig hebben is niet die veilige
geruststelling omtrent wat mag en geoorloofd is, maar de omvorming
van hart, de omvorming van een hart dat leert, dat durft te leren
uit de ervaringen en dus durft te doorbreken wat die verstening en
die hardheid van hart is om zo te leren dat niet het ik, maar de
bron van leven het centrum is. Dan immers kunnen we ook
onderscheiden dat niet alles Gods wil is, dat niet alles spreekt van
Gods liefde en van Gods leven.
Om die reden heb ik ook gekozen voor de lange
versie van het evangelie van vandaag, waarin dat stukje over de
kinderen opgenomen is. Het gaat hier niet over de idylle van het
kind, maar het gaat erom om aan het begin van het leven te staan,
want telkens als we zo willen leren om aan het begin te staan, zal
het Rijk Gods ons kunnen overkomen. Dat is wat het leven boeiend
maakt: de mogelijkheid om een droom te verwezenlijken. Jezus laat
zich er niet toe verleiden om enkele oorzaken en redenen te geven
waarom het leven kan mislukken. Dat gebeurt immers, en het vraagt
een open oog om te beseffen dat wat niet mag toch gebeurt en toch
werkelijkheid is. Jezus weet echter ook dat alles wat er is nooit
het eindpunt is, maar altijd weer een verder op weg gaan kan
betekenen. Het vraagt veel van de mens, want het vraagt je hart, en
dit mogen we vieren. We mogen vieren dat ons deze geest gegeven
wordt om met het hart te kunnen leven – hart, zegt de bijbel, dat is
om te denken. Emotionaliteit, affectiviteit en denken: het wordt
niet uitgesloten. Het wordt opgeroepen om te onderscheiden, om
werkelijk iets te leren kennen van die God van Jezus, van die weg
die Jezus zo gegaan is.
Moge deze viering ons iets daarvan geven.
|