Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 9, 38 - 48

Door Nel van Cuijk, gehouden op 1 oktober 2006

 

Wát bezielt Jezus; door wíe wordt hij bezield?

 

Vandaag het laatste deel van het negende hoofdstuk van het evangelie van Marcus. Dit hoofdstuk geeft de essentie weer van wát Jezus bezielt en misschien nog meer van wíe hem bezielt.

Enkele weken geleden hoorde we hem de vraag stellen: “Wie zeggen jullie dat ik ben?” en helder hebben zijn leerlingen bij monde van Petrus geantwoord dat hij de gezalfde Gods voor hen is. Toen vertelde hij hun wat hem bezielt, hoe hij op weg moet naar Jeruzalem, hoe het hem daar zal vergaan en dat hij zich door niets of niemand daarvan af zal laten houden. En in een prachtig visioen hebben we gehoord wie Jezus bezielde: Mozes en Elia en een stem uit de hemel die hem mijn geliefde zoon noemde. Enkele leerlingen waren daarbij, ze hebben het met eigen oren gehoord en met eigen ogen gezien wie hem bezielde.

En na een genezingsdebacle van de leerlingen – zij krijgen een stomme geest niet uitgedreven – is Jezus begonnen met expliciet onderwijs aan zijn leerlingen. De onderlinge concurrentiestrijd tussen de leerlingen wordt door Jezus afgewezen. Dat maakt hij duidelijk in woorden én in beeldtaal: hij zégt hun dat de vraag wie de grootste is een vraag is die niet thuis hoort tussen hen, en met het bééld van een kind in hun midden heeft hij dat verduidelijkt.

Vandaag komt Johannes aan het woord, een van de drie die met hem op de berg was. Zijn vraag gaat over de exclusiviteit van hun verhouding met Jezus en over de verhouding tot de concurrerende buitenstaanders. ‘Hoe zit het met de bevoegdheid van hen die u niet volgen, van hen die niet bij ons horen. Iemand die het wel lukt om satanische krachten het zwijgen op te leggen. Hij/zij is geen volgeling van ons, hij/zij hoort niet bij onze gemeenschap, is geen lid en toch kan die mens bevrijdend en genezend handelen en dat nog wel met een beroep op ons. Wat moeten we daarmee?’

Nou daar hoeven we niets mee, we hoeven niemand iets te beletten. Een hele geruststelling, lijkt me. “Iemand die vóór ons is zal wellicht niet ongunstig over ons spreken”. Tot zover kan ik Jezus wel volgen ook al bekruipt me de vraag waarom ik dan wel die volgeling van Christus wil zijn, waarom ik dan wel de lasten en lusten van gemeenschap op me neem.

 

En dan krijgen we beelden over ons uit gesproken, voor ons neergezet die het karakter hebben van een slagveld, van oorlogsslachtoffers. Immers dat zijn de beelden die ik krijg bij afgerukte armen en benen, bij uitgerukte ogen.

Maar Jezus heeft het niet over oorlog, en hij heeft het ook niet over de sjaria en hij bedoelt ook zeker geen zelfverminking, zelfverminking is heel on-joods. Jezus heeft het tegen mensen die hem willen volgen en die in zeer krasse woorden te verstaan krijgen wat dat leerling zijn inhoudt.

Als jouw twee ogen niet meer in staat zijn om te zien wat je naaste nodig heeft, als jouw twee handen niet meer in staat zijn om de ander te geven wat hij of zij nodig heeft, als jouw twee voeten de weg naar de ander niet meer kunnen gaan, ga dan bij jezelf te rade en vraag je af waarom je je zintuigen en je ledematen gekregen heb.

Want liever verminkt en met kleerscheuren het leven in dan een leven waardoor je bij kleine mensen iets oproept waardoor zij het geloof verliezen. Hij heeft het tegen mensen die het gemeenschap zijn in zijn naam gestalte geven op een manier die bij anderen iets oproept van mij-niet-gezien.

 

Het waarachtige leerling-zijn krijgen we vandaag te horen van Eldad en Medad. Luister wat de midrasj daarover zegt. Mozes was door God enigszins in verlegenheid gebracht omdat hij 70 oudsten moest aanstellen en er zijn 12 stammen. Uit elke stam 6 mensen is echter 72. Eldad en Medad voorzien het probleem waar Mozes zich voor gesteld vindt en zij besluiten om niet naar de plaats te gaan waar de oudsten bijeen zouden komen, ze willen Mozes niet in verlegenheid brengen.

God echter geeft hen een deel van zijn geest, misschien had God zich vergist met tellen, en de oudsten die bij Mozes zijn profeteren alleen die dag, Eldad en Medad echter profeteren ook na die ene dag nog.

“Heb zout in jezelf en houd vrede onder elkaar.” Dat betekent dan zoiets als: verval niet in geharrewar met de concurrent, verval niet in een strijd om de onderlinge voorrang, en doe geen pogingen om jezelf te bewijzen tegenover buitenstaanders.

Ga je weg, de weg die je op het gelaat van je naaste kunt aflezen. Jezus is streng in deze woorden, echter hij verbiedt niets en dwingt niets af, het enige wat Jezus doet is een dringend beroep op ons eigen onderscheidingsvermogen, op onze eigen verantwoordelijkheid.