|
Preken: Marcus 9, 30 - 37
Door Tineke Renkema, gehouden op 24 september
2006
Zo is mijn God, zo overkomt Hij mij
Jezus is onderweg met zijn leerlingen. En in dit
gedeelte van het Marcus-evangelie neemt het onderricht van Jezus aan
de leerlingen een steeds grotere plaats in. En ook wij worden over
de hoofden van de leerlingen heen door hem onderricht.
Ik vond het verrassend om te lezen dat deze
levenslessen ingebed zijn in twee verhalen, die beiden gaan over de
genezing van een blinde. Niet voor niets. Het onderricht van Jezus
is dus gericht op zien: dat wij ziende mensen worden! Jezus is
gericht op durven zien wat is en daarin blijven luisteren. De manier
waarop hij onderricht is: delen wat er in hem gaande is, zich zó
geven, zichzélf geven.
Wat
ziet Jezus dan, wat is er in hem gaande onderweg? Ik heb geprobeerd
mijzelf in te leven in die vragen om er zo dichterbij te komen.
Jezus
is onderweg, zonder enige garantie, veiligheid of zekerheid. Gaande
die weg wordt het hem steeds duidelijker: omdat hij liefde toont en
recht doet, omdat hij mensen hierop aanspreekt, zal hij door
mensenhanden worden gedood.
Ook
het boek Wijsheid spreekt daarvan; het vertelt over die neiging van
mensen, van ons, om de confrontatie met iemand die werkelijk goed
doet, niet te kunnen verdragen; om het licht, dat door deze mens op
ons duister valt, te haten. Dat is wat Jezus ziet, dat is de
werkelijkheid, waarvoor hij zijn ogen niet sluit: dat ze hem haten,
dat ze hem zullen doden.
En ik
stel me dan voor, dat hij ziende deze realiteit toch probeert te
blijven luisteren. Ik stel me voor dat hij, al luisterend en
biddend, een stem gewaar wordt, die hem zegt, dat zijn dood het
einde niet is. Ik stel me voor, dat er in hem een innerlijk weten
groeit, een geloven in die stem, die hem zegt: Waar je door mensen
wordt vermoord, daar zal ik, God, je doen opstaan.
Ik
stel me voor dat er iets in hem zingt als: ‘Zo is mijn God, zo
overkomt hij mij. Ik adem op, de dood ontkomen.’
Is
dát wat hem bezielt en wat hij met zijn leerlingen wil delen, de
essentie van wat hij wil overdragen? Niet kunnen ontkomen aan
lijden, verlatenheid, dood, dit onder ogen zien, en toch geloven:
God die er zijn zal. Zo is mijn God, zo overkomt hij mij.
De
leerlingen sluiten zich voor deze woorden af. Zij sluiten hun ogen
voor deze pijnlijke realiteit en dit onbegrijpelijke geloof. Ze
durven er niet aan te raken, want als zij er wel aan zouden raken,
dan raakt dat immers ook aan hun eigen leven, want zij zijn toch met
hem onderweg?
Doordat de leerlingen blind zijn, voor wat in Jezus gaande is, laten
ze hem alleen. Hij wordt niet door zijn leerlingen opgenomen, zoals
hijzelf het kind opneemt even verder in de tekst.
En toch: Jezus blijft de relatie, de verbinding
zoeken. Als zij niet open staan voor hem, vraagt hij hen om dan in
ieder geval met hem te willen delen wat hén bezielt. Maar de
leerlingen kunnen/durven niet met hem delen wat hen bezighoudt. Is
het te pijnlijk om te moeten zeggen, dat je bezig bent met ruzie te
maken over wie de belangrijkste is? En toch is dát hetgeen, waarmee
zíj onderweg zijn. Maar zij vertrouwen het hem niet toe.
Jezus
neemt zijn leerlingen uiterst serieus. Hij sluit zijn ogen niet voor
wat er in hen leeft. Integendeel: Hij brengt het aan het licht. Hij
neemt hen aan zoals zij zijn, ook al lieten zij het ten aanzien van
hemzelf afweten.
Misschien, zo versta ik, is niet het grootste
probleem de rivaliteit zélf, maar is het werkelijke probleem, dat
wij juist de vraag naar wie het belangrijkste is niet onder ogen
willen zien. Dat wij deze vraag die wel in ons leeft, zélf niet
serieus nemen.
Het
werkelijke probleem is dat wij dan dus ook geen helder antwoord
geven op de vraag naar onze verhoudingen en onze posities ten
opzichte van elkaar. Waarom zouden wij dat dan doen? Dat is
noodzakelijk, om juist zó die rivaliteit voorbij te komen en écht
beschikbaar te komen, te kunnen dienen.
Ja,
maar waartoe eigenlijk?
Hij
zet een kind in ons midden. Daar staat het dan, dat kind dat ons
aankijkt. Dit kind in wiens blik wij kunnen aflezen, dat als wij het
niet ontvangen, het niet aannemen zoals het is, het sterven zal van
eenzaamheid en verlatenheid, zoals hij.
Elke
keer, dat onze ogen worden geopend voor dat kind in iedere mens en
wij niet vanuit de hoogte, maar juist op onze knieën moeten, om het
te kunnen omarmen, elke keer dat wij dit kind ontvangen, aanvaarden
zoals het is, openbaart God zich in de mens, zoals in Jezus. Dan
komt er iets van hem aanwezig, dan staat er iets van dat licht van
Hem in ons op.
En
het is waar en dat wil ik met jullie delen: elke keer, dat ik in
mijn leven pijn en verlatenheid van die ander echt durfde aan te
zien, of misschien moet ik zeggen, dat ik er a.h.w. toe werd
gebracht om te zien wat ik liever niet wilde zien – opende zich een
mededogen, een liefde, waarvan ik niet wist dat het er was, en toch
was het er, ondanks mijzelf. Iets wat aanvoelt als pijnlijk geluk,
iets van: Zo is mijn God, zo overkomt Hij mij.
Zo
kan ik er iets van begrijpen, dat Jezus geloofde, dat God hem zou
doen opstaan, want hij geloofde in Gods liefde, maar zo geloofde hij
ook in zijn leerlingen, ook in ons: Dat wij mensen kunnen worden,
die niet wegkijken, maar durven zien en dat zo liefde en mededogen
wordt geopend.
Daarvoor had Hij geen enkele garantie,
integendeel, hij werd zélf verlaten en toch: Hij geloofde.
Laten we bídden dat Hij zo opstaat in ons en
dankbaar víeren dat Hij is opgestaan.
|