Preken: Marcus 8, 27 - 35
Door Niek Werkhoven, gehouden op 16 september 2006
Wat bezielt je?
Deze
vraag die we onszelf stellen kan een lastige vraag zijn, want ze
raakt aan het draagvlak, de grond van ons dagelijks doen en laten.
Maar het is niet alleen lastig om verder te kijken dan de
oppervlakte, het maakt ons ook bewust van het ‘wat en waarom’
waardoor we de veerkracht niet verliezen om te worden wie we zijn.
Zo
heb ik ook geprobeerd naar de lezingen te luisteren die we hoorden.
Als
je ze zo hoort voorlezen, zijn het geen prettige verhalen want de
diepe ernst van lijden en dood worden onverbloemd genoemd. Daar loop
je niet bepaald warm voor, laten we eerlijk zijn.
Maar
die eerste lezing ontroerde me: “God de Heer heeft mijn oren geopend
en ik ben niet teruggedeinsd…” Iemand die niet zegt: ‘ik heb mijn
oren geopend voor God’, maar die te kennen geeft dat hem iets is
overkomen. Iets van verstaan, iets van een gave waardoor hij recht
overeind blijft in bizarre omstandigheden. Zo’n levenskracht en
levensmoed, om jaloers op te zijn.
En
het evangelie, ja dat vraagt ook wat ruimte in onszelf, ruimte om
voorbij te gaan aan de wrevel die we misschien voelen: dat bekende
liedje van je kruis opnemen, je leven verliezen om het te vinden.
Wat
is de bezieling, welke inspiratie wil Marcus ons meedelen in dit
evangelie?
Het
lijkt me voor een goed verstaan belangrijk om dat niet te vlug in te
vullen, maar bij het begin te beginnen.
Jezus
verlaat Israël, hij gaat de grens over naar een gebied waar andere
goden gediend en vereerd worden dan de God van Israël. Waarom zoekt
hij juist die streek op om zijn leerlingen te vragen wat zij in hem
zien? Is het ‘onderweg’ een aanduiding om hen duidelijk te maken
welke weg naar God brengt, welke weg naar vrijheid en vrede voert?
“U bent de Christus” – wat Petrus daarmee zegt
gaat open als we het contrast horen met Caesarea, stad vernoemd naar
de keizer, naar de keizercultus met alle goden die dat met zich
meebrengt. Dat zijn de goden die vrede brengen, vrede als de pax
romana, door onderwerping, de goden die het leven goed en welvarend
maken ten koste van anderen.
En
deze erkenning van Petrus, maakt voor Jezus de weg open om
onomwonden te zeggen wat het te betekenen heeft in de God van Israël
te geloven.
De mensenzoon moet verworpen worden en gedood…
maar dat is niet het laatste woord, na drie dagen zal hij opstaan.
Wie
ben ik voor jullie? Welke God vertegenwoordig ik voor jullie? Welke
God leren jullie kennen door mijn optreden? Is het een god die
jullie leven afhankelijk maakt van wonderen? Of hebben jullie
eindelijk door dat ik geloof in een God die jullie de kracht tot
leven geeft? Tot vernieuwing van leven?
Hij moet verworpen worden: niet omdat God het
wil. Het lijden en kruis heeft God niet nodig om overtuigd te worden
van liefde en trouw. Het kruis is het antwoord dat de wereld geeft,
telkens weer geeft op de roep om vrijheid, vrede en gerechtigheid.
Opkomen voor dit leven, voor menselijkheid, brengt onherroepelijk
lijden met zich mee. Op grote schaal, maar ook in het gewone
dagelijkse bestaan. Menszijn is een opgave en geen cadeaugave.
Maar
het is geen opgave die ons een loodzware last op de schouders legt.
We hoorden het weer opnieuw, het is zijn wie je bent en dat ook
willen zijn. Alleen wie vrede heeft met en in zichzelf zal vrede
kunnen stichten, vredestichters die zonen en dochters van God zijn.
Er
zou nog veel meer gezegd moeten worden, maar misschien is stilte nog
belangrijker, de stilte waarin ons biddend hart stamelt: U bent de
Christus, de weg van God, de weg naar God.
Met
een stil hart mogen we de inspiratie blijven zoeken die we kunnen
ontvangen in het teken van brood en wijn waarin we toegerust worden
te leven in de geest van vrijheid en vrede.
|