|
Preken: Marcus 7, 31 - 37
Door Hinnêni Peltenburg, gehouden op 10 september 2006
Als de mens eenmaal luistert, komt het woord van God binnen
“Jongen,” zei zijn moeder in het gebarentaaltje
dat tussen hen was ontstaan, “Jongen, blijf nou niet weer de hele
dag hier op de binnenplaats rondhangen. Zoek je vrienden toch eens
op.” Hij kwam langzaam overeind, zonder fut en zin en liep met een
onverschillig ophalen van zijn schouders de patio van hun prachtige,
aan het meer van Galilea gelegen Griekse huis, af op zoek naar zijn
vrienden. “Wat moet er toch van mijn zoon terechtkomen,” dacht zij,
terwijl zij hem nastaarde. Zoals hij daar zo somber wegliep… Haar
blik ontmoette het meer en even scheen het haar toe dat de zorg om
haar kind zo groot en zo diep was als dit meer.
Bij
zijn vrienden aangekomen stootte hij een paar klanken uit, die
zoveel als een ‘goeie morgen’ moesten betekenen. “Hoi,” zeiden zijn
vrienden. Ja, zijn brabbeltaaltje begrepen ze intussen wel
en
met gebaren kwamen ze een heel eind, al was het meestal een
behoorlijke oefening in geduld,
vóór
het duidelijk was wat hij wilde zeggen. Ze hadden met hem te doen.
Toen hij nog een kind was hadden zijn ouders verschillende artsen in
de stad geraadpleegd, maar het was al gauw duidelijk geworden dat er
aan zijn oren niets te genezen viel en dat hij nooit normaal zou
kunnen spreken.
“Wij besloten een eindje langs het meer te gaan lopen,”
vertelde hij later: “en met dat besluit trokken mijn vrienden mij op
weg…
alleen wist ik toen niet dat deze stappen mijn leven totaal zouden
veranderen,
want die weg leidde naar Degene die aan mij het onmogelijke zou
doen.”
En dat was Jezus, die zich in de omgeving van het
meer van Galilea ophield, buiten de grenzen van het Joodse land, op
doortocht, op weg naar Jeruzalem. Hij bevindt zich tussen de
heidenen, in het gebied waar de Grieken wonen, met hun eigen
cultuur, godsdienstige gebruiken en gewoonten. Volgens Marcus is
Jezus de Herder van Israël en zijn grensoverschrijdende
activiteiten maken duidelijk dat Hij de Herder van alle
volkeren is, die op zoek gaat naar elk verdwaalde en gekwetste
schaap. Wat Jezus doet aan deze dove, die gebrekkig spreekt, is
onvoorstelbaar en vol van symboliek.
Er vindt een ontmoeting plaats op initiatief van
de vrienden en dat initiatief neemt Jezus over: maar Hij neemt hem
apart, weg uit de menigte, voor zich alleen. “Soms moet dat echt,
wil de communicatie worden hersteld,” zegt Marcus tegen zijn
gemeente. Ook in onze tijd zijn er vicieuze cirkels van
communicatiestoringen te doorbreken. Iemand durfde vragen: Hoe doof
en slecht bij taal zijn ook wij wel niet? Er moet zoveel geopend
worden op alle terreinen van het leven en in onze wereld... En wij
weten uit ervaring dat dit niet vanzelf gaat. Dat wordt ook in de
tekst gesuggereerd: die dubbel gehandicapte mens wordt bij Jezus
gebracht. Hij gaat niet zelf. Waarom niet? Het antwoord geeft
Marcus niet op papier, maar wordt bij de lezer verondersteld. Jezus
heeft zich namelijk nog niet als Meester van alle volkeren
kunnen openbaren. Daarvoor moeten eerst onze oren worden geopend;
onze tong worden losgemaakt: onze verstopte communicatiekanalen
worden aangeraakt.
Jezus voltrekt een serie handelingen. Hij
gebruikt zijn eigen zintuigen om die van de man te kunnen openen.
Hij spreekt lichaamstaal; dat begrijpt de dove. Hij stoot zijn
vingers in zijn oren, als om een doorgang te forceren. Jezus spuugt
en raakt daarmee die ander zijn tong aan. Dan zucht Hij en slaat
zijn ogen op naar de hemel. Zijn blik zoekt de Vader om - voorbij de
uiterste grens – van de Vader een goddelijk bevel te ontvangen en
zegt: Effatha! Ga open! Ga in Godsnaam open!
En terstond; onmiddellijk gebeurt het; daar zit
niets meer tussen. Waar de mens luistert komt het woord van God
binnen: Sjema! Luister dan toch! En dan spreekt de mens en dan hoort
Jezus dat het goed is; de innerlijke oren zijn geopend voor de
diepere werkelijkheid van de Enige die in hem spreekt. De
herschepping is geslaagd. Het diepste dat in de mens leeft moet naar
buiten komen:
hij kan nu goed spreken! Bene-dicere: hij kan het
goede zeggen. Dat wat uit de mens komt maakt hem mooi.
En er
breekt ook iets open in de omstanders! Zij kunnen hun mond niet
houden. Alles en iedereen raakt ineens buiten proporties. Zij gaan
het goede nieuws rondbazuinen dat de Messias is gekomen. En hoe meer
Jezus dat verbiedt hoe erger het wordt. Het goede nieuws is wat
Jesaja in onze eerste lezing heeft geprofeteerd: doven horen,
blinden zien, de steppe zal bloeien. Zij herkennen in Jezus de
belofte van bevrijding van God uit; de Messiaanse tijd breekt aan.
“Ik voel nu nog hoe Hij zijn vingers in mijn oren priemde en hoe Hij
mijn tong aanraakte.
Ik zie nog zijn mond dat woord uitspreken… en met een enorme zucht
kwam al zijn kracht in mij. Hij legde zijn woorden in mijn mond en
het geschiedde aan mij, zijn wonder!
Pas toen al dat tumult van de mensen rond mij losbarste, kon ik mij
losmaken van die liefdevolle blik waarmee Hij mij aankeek; waarmee
Hij mijn ziel aanraakte.
Geweldig wat Hij allemaal gedaan heeft. Doven laat Hij horen,
stommen laat Hij spreken,
maar dat Hij vooral mijn ogen voor het leven
heeft geopend, daarvan kan ík alleen getuigen.”
|